Dharma-Lotus is een boeddhistische organisatie met 6 vestigingen in Nederland en een | retraitecentrum (Ekãyano) in Noord-Frankrijk | Mail.png | WA-logo.png | Abonneer op onze Nieuwsbrief

Het Boeddhisme in Sri-Lanka: verschil tussen versies

Uit dharma-lotus.nl
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
(Created page with "{{#seo: |title=Het Boeddhisme in Mongolie |titlemode=append |keywords=Mongolie, boeddhisme, boeddha, boeddhistisch, Dharma, Pali-canon, Gautama, boeddhist, waarheden, soetra, sutta, Dhamma, meditatie, inzicht, Ivar Mol, Dharma-Lotus, mindfulness, India, Nepal |description=de ontstaansgeschiedenis van het boeddhisme en de dagelijkse gebruiken van het boeddhisme in dit land. }} {{Boeddhisme per land}} ==Mongolië== File:Kloster_zezerleg.JPG|thumb|350px|Buyandelgeruul...")
 
Geen bewerkingssamenvatting
 
(4 tussenliggende versies door dezelfde gebruiker niet weergegeven)
Regel 1: Regel 1:
{{#seo:
{{#seo:
|title=Het Boeddhisme in Mongolie
|title=Het Boeddhisme in Sri-Lanka
|titlemode=append
|titlemode=append
|keywords=Mongolie, boeddhisme, boeddha, boeddhistisch, Dharma, Pali-canon, Gautama, boeddhist, waarheden, soetra, sutta, Dhamma, meditatie, inzicht, Ivar Mol, Dharma-Lotus, mindfulness, India, Nepal  
|keywords=Sri-Lanka, boeddhisme, boeddha, boeddhistisch, Dharma, Pali-canon, Gautama, boeddhist, waarheden, soetra, sutta, Dhamma, meditatie, inzicht, Ivar Mol, Dharma-Lotus, mindfulness, India, Nepal  
|description=de ontstaansgeschiedenis van het boeddhisme en de dagelijkse gebruiken van het boeddhisme in dit land.   
|description=de ontstaansgeschiedenis van het boeddhisme en de dagelijkse gebruiken van het boeddhisme in dit land.   
}}
}}
{{Boeddhisme per land}}
{{Boeddhisme per land}}
==Mongolië==
==Sri-Lanka==
[[File:Kloster_zezerleg.JPG|thumb|350px|Buyandelgeruulekh Monastery in Tsetserleg]]
[[Bestand:Boeddhisme-in-Sri-Lanka.jpg|350px|thumb|Boeddhistische pelgrimage én wandelvakantie naar Sri-Lanka Boeddhisme in Sri-Lanka Boeddhisme in Sri-Lanka]]
[[File:ErdeneZuuKhiidTemple.jpg|thumb|350px|Tempel in het Erdene Zuu-klooster gesticht door Abtai Khan in het hart van Khalkha in de 16e eeuw]]
[[File:SL_Anuradhapura_asv2020-01_img11_Ruwanwelisaya_Stupa.jpg|350px|thumb|Grote Stupa in Anuradhapura]]
[[File:BogdKhan.jpg|thumb|350px|De Bogd Khan was tot de jaren twintig tegelijkertijd het religieuze en seculiere staatshoofd]]
[[file:1913 Lama of Yellow Palace in Khuree.jpg|thumb|350px|Mongoolse monikken (1913)]]
[[Bestand:Begtse_(Mongolian_Thangka_Painting).jpg|thumb|350px|Begtse is in het pantheon de beschermer van het boeddhisme in Mongolië]]
[[Bestand:Sammlungen_historischer_Nachrichten_über_die_mongolischen_Völkerschaften_-_Mongolian_Buddhist_Temple.jpg|thumb|350px|Verplaatsbare Mongoolse boeddhistische tempel]]
Het [[boeddhisme]] in '''Mongolië''' is vrijwel geheel [[Tibetaans boeddhisme]]. De gelugtraditie van dat boeddhisme is in het land het sterkst aanwezig.


==Eerste contacten==
Het [[Theravada]] boeddhisme is de grootste en officiële religie van '''Sri-Lanka''' en wordt sinds 2012 door 70,2 procent van de bevolking beoefend. Beoefenaars van het Sri Lankaans [[boeddhisme]] zijn te vinden onder de meerderheid van de Singalese bevolking, evenals onder de etnische minderheidsgroepen.


Het is waarschijnlijk dat er in wat nu het Mongoolse gebied is al in het begin van de 4e eeuw contacten zijn geweest met boeddhistische monniken. Dat is ruim drie eeuwen voor de eerste introductie van het boeddhisme in Tibet. Er zijn historische bronnen waarin duidelijk wordt dat Chinese boeddhistische monniken missieactiviteiten in die periode ondernamen in het noorden van China. In die bronnen wordt vaak het woord Burqan, het Mongoolse woord voor boeddha gehanteerd. Er zijn archeologische vondsten van boeddhistische tempelklokken uit de 7e eeuw. In de fundering van het paleis gebouwd voor Dzjengis Khan (1167-1227) in Karakorum werden restanten gevonden van boeddhistische fresco's uit eerdere eeuwen. Al deze contacten hebben echter geen enkele blijvende boeddhistische invloed gecreëerd.
Het boeddhisme heeft de eerste plaats gekregen in artikel 9 van de Sri Lankaanse grondwet, die terug te voeren is op een poging om de status van het boeddhisme terug te brengen naar de status die het genoot voordat het door kolonialisten werd vernietigd. Op grond van artikel 10 van de Sri Lankaanse grondwet worden de religieuze rechten van alle gemeenschappen echter behouden. Sri Lanka is een van de oudste traditioneel boeddhistische landen.


De eerste invloeden van het Tibetaans boeddhisme op de Mongolen dateren uit de tijd van het Mongoolse rijk. De eerste beschrijvingen betreffen meestal observaties van Tibetaanse lama's aan het hof in Karakorum, de toenmalige hoofdstad van het rijk.
Het eiland is een centrum van boeddhistische wetenschap en beoefening sinds de introductie van het boeddhisme in de derde eeuw voor Christus, waardoor vooraanstaande geleerden zoals Buddhaghosa werden voortgebracht en de uitgestrekte [[Pali-canon]] werd behouden. Gedurende het grootste deel van zijn geschiedenis hebben Sri Lankaanse koningen een belangrijke rol gespeeld in het onderhoud en de heropleving van de boeddhistische instellingen van het eiland. Tijdens de 19e eeuwvond er een moderne boeddhistische heropleving plaats op het eiland, die het boeddhistische onderwijs bevorderde. Vanwege de nauwe banden van de eilanden met India is het Singalees boeddhisme gedeeltelijk beïnvloed door het hindoeïsme en inheemse overtuigingen, en sommige boeddhisten delen soortgelijke overtuigingen met hindoes, zoals de aanbidding van hindoegoden, het kastensysteem en animisme. Sommige traditionele Singalese tempellay-outs bevatten ook individuele heiligdommen die zijn gewijd aan hindoegoden. Enkele van de belangrijkste hindoegoden die door sommige Singalese boeddhisten worden aanbeden, zijn onder meer Vishnu, Murugan, Pathini, Nata, Gambara, Dedimunda, Saraswati, Ganesh, Lakshmi, Shiva en Kali, enz. Demonen en geesten worden ook aangeroepen tijdens uitdrijvingen en rituelen, die lijken gebruiken die zijn doorgegeven uit de pre-boeddhistische inheemse tijden. In 2007 waren er ongeveer 6.000 boeddhistische kloosters op Sri Lanka met ongeveer 30.000 [[monnik|monniken]].


De contacten intensiveerden gedurende de periode van Mongools bestuur over Tibet. Globaal is dat de periode van 1250-1360. Gedurende die tijd verbleven er aanzienlijke aantallen Tibetaanse lama's aan het hof. Er waren daar echter ook Nestorianen, Rooms-katholieken, Taoïsten, Chinese boeddhisten aanwezig en de invloed van het gedachtegoed van Confucius was traditioneel sterk in een Chinese omgeving.
==Pre-modern Geschiedenis==


Het sjamanisme bleef voor het overgrote deel van de Mongolen in deze periode de dominante religie. Er zijn ook uitvoerige rapporten dat sjamanen gedurende de hele duur van de Yuan-dynastie aan het hof actief waren.
De Theravāda ("Ouderlingen") is een tak van de Vibhajjavāda ("Doctrine van Analyse", "de analisten"), die een afdeling was van de Sthāvira Nikāya, een van de vroege boeddhistische scholen in India. De sthāvira's waren voortgekomen uit het eerste schisma in de boeddhistische gemeenschap. Er is geen overeenstemming tussen moderne historici over de details en datering van dit schisma (zelfs niet of het vóór of na de datum van keizer [[Ashoka]] was: 304–232 v.Chr.). Het is opmerkelijk dat Ashokan-inscripties niet verwijzen naar deze raad of het schisma.


==Ontwikkeling van het boeddhisme in Mongolië tot 1640==
Volgens Theravāda-bronnen handhaaft de Theravāda-school de Vibhajjavāda-doctrines die werden overeengekomen tijdens het vermeende derde boeddhistische concilie dat rond 250 voor Christus werd gehouden onder de bescherming van Ashoka en onder leiding van de oudere Moggaliputta-Tissa. Een verslag van hun leerstellige positie is bewaard gebleven in de Kathavatthu ("Punten van controverse"), een weerlegging van verschillende tegengestelde opvattingen van verschillende scholen in die tijd.


Na de val van de Yuan-dynastie rond 1370 keerden de meeste Mongolen terug naar hun oorspronkelijke leefgebieden. De volgende periode van contacten met het boeddhisme vond opnieuw plaats vanuit China. Gedurende de Yuan-dynastie hadden Tibetaanse lama's een aantal kloosters kunnen bouwen in het noorden van China. Het boeddhisme bleef in dit deel van China aanwezig, terwijl het onder de naar hun leefgebieden teruggekeerde Mongolen afwezig was. Het is mogelijk, dat vanuit deze kloosters missieactiviteiten ondernomen werden onder de Mongolen. Er zijn documenten die duidelijk maken dat in 1431 een van die kloosters de opdrachtgever was voor het laten maken van blokdrukken van een aantal boeddhistische geschriften in het Mongools.
De Vibhajjavādins, gevoed door Mauryan patronage (zoals te zien is in Ashoka's edicten), verspreidden zich over Zuid-Azië en vormden verschillende groepen en gemeenschappen. In Zuid-India hadden ze een invloedrijk centrum in Avanti, maar ze waren ook actief in Andhra, Vanavasa (in het moderne Karnataka ), Amaravati en Nagarjunakonda. Toen ze zich vestigden in Sri Lanka (in [[Anuradhapura]]), begonnen ze ook bekend te worden als de Tambapaṇiya, de naam verwijst naar een rood-koperachtige kleur. De naam Tāmraparṇi werd ook een naam voor Sri Lanka zelf.


Vanaf de eerste helft van de 16e eeuw werden de boeddhistische kloosters in het noorden van China vervolgd door anti-boeddhistische krachten aan het hof van de keizers van de Ming-dynastie. Als gevolg van deze vervolgingen moeten boeddhistische monniken gevlucht zijn naar Mongools gebied en zich daar gevestigd hebben. De eerste verwijzing naar deze monniken dateert van 1547.
==Introductie van het boeddhisme op het eiland==


===Altan Khan===
[[File:Asoka̠_Buddhist_Missions.png|350px|thumb|Verspreiding van het Boeddhisme van India naar oa Sri-Lanka]]
Een belangrijke ontwikkeling voor het boeddhisme in Mongolië vond plaats tijdens de tweede helft van de 16e eeuw. In 1558 had Sönam Gyatso (1543-1588), de belangrijkste [[tulku]] van de gelugtraditie, al de noordelijke grensgebieden van Centraal-Tibet bezocht. Even na 1570 arriveerde de eerste delegatie van Altan Khan (1507-1582) met een uitnodiging naar zijn gebied te komen. Deze leider van de Tümed-Mongolen was erin geslaagd een groot aantal naburige stammen te overwinnen, viel herhaaldelijk het noorden van China binnen en wist op deze wijze concessies te verkrijgen van de Ming-dynastie. Altan Khan realiseerde zich echter, dat er meer nodig was om zijn veroveringen blijvend te verankeren. Altan Khan zocht die oplossing dan ook in de bekering van zijn hof en volk tot het boeddhisme in de Tibetaanse vorm. Dit zou het gebruikelijke patroon van handelen voor heersers van Mongoolse stammen worden. Toename van en pogingen tot verankering van verdere macht werden gelegitimeerd door patronage van het boeddhisme. Tijdens het bezoek ontving Sönam Gyatso de benaming dalai lama. Hij werd daarmee de eerste persoon, die tijdens zijn leven die benaming ontving. (De eerste twee dalai lama's hadden die benaming postuum ontvangen.)
[[File:Sigiriya.jpg|350px|thumb|Rotsklooster in Sigirya]]
Volgens traditionele Sri Lankaanse kronieken zoals de Mahavamsa en de Dipavamsa, werd het boeddhisme op het eiland geïntroduceerd in de derde eeuw voor Christus na het derde boeddhistische [[concilie]] door de oudere Mahinda en door de oudere non Sangamitta. Volgens de Singalees-kronieken waren beiden kinderen van keizer Ashoka.  


Altan Khan bouwde een aantal tempels in de omgeving van Köke Khota en een aantal soetras werden daar in het Mongools vertaald.
Volgens de Mahavamsa kwamen ze in Sri Lanka aan tijdens het bewind van Devanampiya Tissa van Anuradhapura (307–267 voor Christus) die zich bekeerde tot het boeddhisme en hielp bij de opbouw van de eerste boeddhistische stoepa's en gemeenschappen. Tissa schonk een koninklijk park in de stad aan de boeddhistische gemeenschap, wat het begin was van de Mahāvihāra- traditie. Mahinda wordt geassocieerd met de site van [[Anuradhapura|Mihintale]], een van de oudste boeddhistische sites in Sri Lanka. Mihintale omvat talloze grotten die mogelijk zijn gebruikt door de vroege Sri Lankaanse sangha.


Het werd vanaf die tijd de gewoonte onder de Mongoolse adel om minimaal één zoon voor studie naar Tibet te sturen en wellicht monnik te worden. Enkele decennia later was een van die zonen Zaya Pandita (1599-1662) een prins van de Oirat-Mongolen. Na een opleiding in Tibet vertrok hij weer naar het Mongoolse gebied. Na 1640 richtte Zaya Pandita zich vooral op missiewerk onder de westelijke Mongolen. Hij ontwikkelde voor hen een schriftsysteem, het Oiratisch schrift en slaagde erin om voor zijn dood nog ongeveer 200 canonieke geschriften in het Oiratisch te vertalen.
Volgens SD Bandaranayake werd de verspreiding van het boeddhisme in deze periode zowel door de staat als door leken gepromoot. Hoewel er weinig artistieke of architecturale overblijfselen zijn uit deze beginperiode, zijn er boeddhistische grotten die bewaard zijn gebleven en die talrijke Brahmi-inscripties bevatten die geschenken aan de sangha door huisbewoners en leiders vastleggen.
Bandaranayake stelt dat de religie tijdens het bewind van Dutthagamani en Vattagamani (ca. midden 2de eeuw v.Chr. Tot midden 1ste eeuw v.Chr.) "Onbetwiste autoriteit" schijnt te hebben verworven.  KM de Silva stelt dat het boeddhisme in de eerste eeuw voor Christus 'goed ingeburgerd was in de belangrijkste nederzettingen'. De Silva merkt ook op dat aangezien het boeddhisme werd overgenomen door de Singalezen, het pre-boeddhistische culten, rituelen en ceremonies assimileerde.  Het boeddhisme werd een krachtige factor in de eenwording van Sri Lankaans onder een enkele politieke macht met een verenigde cultuur.  


Sönam Gyatso keerde na zijn ontmoeting met Altan Khan niet meer terug naar Centraal-Tibet. Hij predikte gedurende de rest van zijn leven vooral in Oost-Tibet. In 1584 en 1588 reisde Sönam Gyatso weer naar Mongolië. Deze reizen gingen vooral naar het noordoosten van het Mongoolse gebied. Verschillende Mongoolse stamleiders probeerden om redenen van politiek prestige de daden van Altan Khan op dit gebied te evenaren of te overtreffen. Tijdens de reis van 1584 vond er een ontmoeting plaats tussen Sönam Gyatso en Abadai Khan (ook geschreven als Abtai Sain Khan) van de meer naar het noordoosten wonende Khalkha-Mongolen.
De Mahavamsa vermeldt dat tijdens de heerschappij van de Grieks-Bactrische koning Menander I (165/155 - 130 v.Chr.), Een Yona (Griekse) hoofdmonnik genaamd Mahadharmaraksita 30.000 boeddhistische monniken leidde uit "de stad Alasandra in Yona". (Alexandrië in de Kaukasus , ongeveer 150 kilometer (93 mijl) ten noorden van het huidige Kabul, Afghanistan) naar Sri Lanka voor de inwijding van de Ruwanwelisaya Stupa in Anuradhapura . Dit gebeurde tijdens het bewind van de Singalees koning Dutthagamani(161 v.Chr. Tot 137 v.Chr.), Die de eerste was die de verschillende Sri Lankaanse staten op het eiland echt tot één staat verenigde door de Tamils ​​te verslaan die het noorden hadden veroverd.


Hun gebied kwam - globaal - overeen met dat van de huidige republiek Mongolië. Vanaf 1585 liet Abadai het klooster Erdene Zuu bouwen, het oudste klooster in Mongolië. Sönam Gyatso zond een lama uit de sakya-traditie om het klooster in te wijden. In dit deel van het Mongoolse gebied bleef een meerderheid van de elite tot na het midden van de 17e eeuw dan ook die traditie toegedaan.
==Theravāda in het Anuradhapura-koninkrijk==
[[File:Budas,_Polonnaruwa,_Sri_Lanka.jpg|thumb|350px|Boeddhabeelden in Polonnaruwa]]
De cultuur, wetten en regering van het Anuradhapura-koninkrijk (evenals die van de kleinere Singalees-koninkrijken die er meestal ondergeschikt waren) werden sterk beïnvloed door het boeddhisme. Gedurende een groot deel van de vroege geschiedenis van het Anuradhapura-boeddhisme waren er drie onderverdelingen van Theravāda, bestaande uit de Mahāvihāra- , Abhayagiri- en Jetavana- sekten. Alle drie waren gebaseerd in [[Anuradhapura]], de grote en dichtbevolkte hoofdstad van de oude Singalese koningen, die zichzelf zagen als de verdedigers en aanhangers van het boeddhisme.


Vanaf 1600 probeerden alle Tibetaanse religieuze tradities hun missiegebied in het Mongoolse gebied uit te breiden. Een voorbeeld daarvan is de jonangtraditie. Hun belangrijkste leraar Taranatha (1575–1634), de meest eminente Tibetaanse historicus van die periode, bracht de laatste twintig jaar van zijn leven in Mongolië door en stichtte daar een aantal kloosters.
De Mahāvihāra was de eerste traditie die werd opgericht, terwijl Abhayagiri Vihāra en Jetavana Vihāra werden opgericht door monniken die zich hadden losgemaakt van Mahāvihāra en meer open stonden voor Mahayana. Volgens AK Warder vestigde de Indiase Mahīśāsaka- sekte zich ook in Sri Lanka naast de Theravāda, waarin ze later werden opgenomen. [21] De noordelijke regio's van Sri Lanka lijken op bepaalde tijden ook te zijn afgestaan ​​aan sekten uit India.
Abhayagiri Theravādins onderhield door de eeuwen heen nauwe relaties met Indiase boeddhisten en nam veel van de leringen van laatstgenoemden over, waaronder veel Mahāyāna-elementen, terwijl Jetavana Theravādins in mindere mate Mahāyāna adopteerde. De Mahāvihāra-traditie beschouwde intussen veel van de Mahāyāna-leerstellingen, zoals Lokottaravāda ('transcendentalisme'), als ketters en beschouwde de Mahāyāna-soetra's als vervalste geschriften.


===Ligdan Khan===
Religieus debat en conflicten tussen deze sekten was ook niet ongebruikelijk, vooral vanwege de nauwe relatie tussen de sangha en Singalese heersers die leidden tot concurrentie voor koninklijk beschermheerschap, hoewel de meeste heersers alle sekten steunden. Tijdens de regering van Voharika Tissa (209-31 n.Chr.) Overtuigde de Mahāvihāra-traditie de koning ervan de Mahāyān-leringen te onderdrukken, die zij als onverenigbaar met de ware leer beschouwden.
Ook in het gebied van de zuidelijker wonende Chahar-Mongolen (min of meer het gebied dat nu de Chinese provincie Binnen-Mongolië is) werden rond 1600 volop missieactiviteiten bedreven. De leider van deze stamfederatie Ligdan Khan (1588–1634) benoemde Sharba Pandita, een monnik uit de sakya-traditie tot zijn geestelijk adviseur met een titel die ongeveer het equivalent was van dat van keizerlijk leermeester tijdens de Yuan-dynastie. Onder leiding van Sharba Pandita werd in de jaren na 1620 de eerste complete canon van het Tibetaans boeddhisme, de kangyur, in het Mongools vertaald. Daarbij werd wel gebruikgemaakt van vervalste colofons en al bestaande vertalingen.


===Qing-dynastie (1635–1912)===
De rollen werden omgedraaid tijdens het bewind van koning Mahasena (277 tot 304 CE), die werd gekenmerkt door zijn steun aan het Mahāyāna-boeddhisme en onderdrukking van de Mahāvihāra, die weigerden zich tot Mahāyāna te bekeren. Mahasena ging zelfs zo ver dat hij enkele gebouwen van het Mahāvihāra-complex vernietigde om Abhayagiri en een nieuw klooster, de Jetavana, op te bouwen. Hierdoor kwam Abhiyagiri naar voren als de grootste en meest invloedrijke boeddhistische traditie op het eiland, en de Mahāvihāra-traditie zou haar dominante positie niet herwinnen tot de [[Polonnaruwa]] periode in 1055.
Vlak na de dood van Ligdan Khan in 1634 kwam dit gebied onder het bestuur van Hong Taiji, de eerste keizer van de Qing-dynastie. De Mantsjoe-keizers van de 17e en 18e eeuw hadden om politieke redenen de verspreiding van het Tibetaans boeddhisme onder de Mongolen altijd aangemoedigd en gefaciliteerd. Het boeddhisme en hun hoogste vertegenwoordigers onder de Mongolen werden geacht een matigende invloed uit te oefenen op de Mongoolse warlords die in die periode nog regelmatig als een bedreiging voor de veiligheid van het rijk werden gezien. Zolang die vertegenwoordigers dat naar tevredenheid van de Chinese keizers deden, konden zij rekenen op giften, eerbetoon en het ontvangen van indrukwekkende titels. Veel van deze ontwikkelingen werden ook gestimuleerd door de uiteindelijke selectie van de vierde dalai lama. Na de dood van Sönam Gyatso stond de gelughiërarchie voor de vraag op welke wijze de tijdens zijn leven tot stand gekomen alliantie met de Mongolen gecontinueerd diende te worden.


Als de gelug zijn positie ten opzichte van de andere rivaliserende tradities wenste te handhaven, was er een opvolger noodzakelijk die deze alliantie kon voortzetten. Hoewel de selectie veel tegenstand binnen de gelug had, werd de reïncarnatie van Sonam Gyatso uiteindelijk gevonden in Yönten Gyatso (1589-1616), een achterkleinzoon van Altan Khan. Yönten Gyatso werd daarmee de enige niet-Tibetaanse, maar Mongoolse dalai lama.
Tijdens het bewind van Kithsirimevan (301–328 n.Chr.) Brachten Sudatta, de onderkoning van Kalinga, en Hemamala het tandrelikwie van de Boeddha naar Sri Lanka. Kithsirimevan legde het relikwie vast en gaf opdracht om jaarlijks een processie te houden ter ere ervan. Het tandrelikwie van [[Gautama de Boeddha]] werd al snel een van de heiligste voorwerpen in het land en een symbool van het Sinhala- boeddhistische koningschap. Het werd gehuisvest en gepromoot door de Abhayagiri-traditie.  


Er zijn nauwelijks eigenstandige en onafhankelijke beslissingen van Yönten Gyatso bekend. In belangrijke mate bleef hij een marionet van de hiërarchie van de gelug en met name van de abten van de grote kloosters rondom Lhasa. Zijn installatie als dalai lama had wel een aanzienlijke impact op de Mongoolse religieuze politiek. Meer en meer Mongoolse leiders en edelen slaagden erin hun kinderen erkend te krijgen als tulku (in het Mongools "khubilgai").
Toen de Chinese monnik [[Faxian]] het eiland in het begin van de 5e eeuw bezocht, merkte hij 5000 monniken op in Abhayagiri, 3000 in de Mahāvihāra en 2000 in Cetiyapabbatavihāra. Faxian verkreeg ook een Sanskriet-kopie van de Vinaya van de Mahīśāsaka aan de Abhayagiri vihāra (ca. 406). Dit werd vervolgens in het Chinees vertaald en is nog steeds aanwezig in de Chinese boeddhistische canon als Taishō Tripiṭaka 1421.


Het was ook een verdere stimulans voor het vertalen en verspreiden van boeddhistische literatuur in het Mongools. Tibetaans werd de belangrijkste literaire taal voor geletterde Mongolen die op hun beurt bijdroegen aan de verdere ontwikkeling van Tibetaans boeddhistische geschriften. Zo rond 1640 was - voor in ieder geval de Mongoolse elite - het Tibetaans boeddhisme de leidende religieuze en intellectuele beweging geworden.
Het belangrijkste architectonische kenmerk van het Sri Lankaanse boeddhisme in deze tijd was de koepelvormige stoepa, die boeddhistische relikwieën verankerde en objecten van verering waren. In Anuradhapura waren de vijf belangrijkste stoepa's: de Thuparama (onderdeel van het Mahāvihāra-complex), de Mirisavati , de Ruvanvalisaya (ook bekend als de Mahastupa), de Abhayagiri en de Jetavana (de grootste stoepa in de hoofdstad, en waarschijnlijk de grootste in de boeddhistische wereld ten tijde van de bouw).


Bij de westelijke Mongolen was sprake van een dominantie van de gelugtraditie. In zowel het noordoostelijk gelegen Mongoolse gebied als in Binnen-Mongolië was sprake van aanwezigheid van meerdere tradities. De sakya-traditie was daar echter het sterkst.
Het is bekend dat in de 8e eeuw zowel Mahāyāna als de esoterische Vajrayāna- vorm van het boeddhisme in Sri Lanka werden beoefend, en twee Indiase monniken die verantwoordelijk waren voor het verspreiden van het esoterische boeddhisme in China, Vajrabodhi en Amoghavajra , bezochten het eiland gedurende deze tijd.


Van alle Mongoolse groepen kwamen de Boerjaten het laatst in contact met het Tibetaans boeddhisme. De eerste boeddhistische missionarissen arriveerden pas in het begin van de 18e eeuw. Het eerste klooster in het gebied dateerde van 1730. Pas in de 19e eeuw was er sprake van een bekering van een aanzienlijk deel van de Boerjaten tot het Tibetaans boeddhisme. Veel wetenschappers, die de overgang van sjamanisme naar boeddhisme wilden bestuderen, hebben zich dan ook gericht op de Boerjaten, omdat veel sjamanistische rituelen en mythen daar het langst in de authentieke vorm bewaard waren gebleven.
Abhayagiri bleef een invloedrijk centrum voor de studie van Theravāda Mahāyāna en Vajrayāna-denken vanaf de regering van Gajabahu I tot de 12e eeuw. Het zag verschillende belangrijke boeddhistische geleerden aan het werk in zowel het Sanskriet als Pāli. Deze omvatten (mogelijk) Upatissa (die de Vimuttimagga schreef ), Kavicakravarti Ananda (auteur van de Saddhammopåyana ), Aryadeva , Aryasura en de tantrische meesters Jayabhadra en Candramåli.  


==Het sjamanisme==
==Ontwikkeling van de tekstuele traditie van Theravāda ==


In het Mongoolse sjamanisme werden vooral bergen, maar ook andere markante plaatsen in het landschap magische krachten toegekend. Dat werd zichtbaar gemaakt in de Ovoo's, steenhopen die gemaakt werden op de top van een berg of in bergpassen. De top van dit religieuze systeem was de Blauwe en Eeuwige Hemel.
Sri Lankaanse boeddhisten bewaarden aanvankelijk de boeddhistische geschriften (de tipitaka ) mondeling, maar volgens de Mahavamsa leidden hongersnood en oorlog tijdens de eerste eeuw voor Christus tot het opschrijven van deze geschriften om ze te bewaren. De plaats van deze gebeurtenis was bij de Aluvihāra-tempel. Volgens Richard Gombrich is dit "het vroegste verslag dat we hebben van boeddhistische geschriften die overal worden geschreven".  


De middelaars tussen deze wereld en die van de mensen waren de sjamanen. De Mongoolse sjamanen behoorden tot de aristocratie van de stammen. Uit de Mongoolse kronieken wordt duidelijk, dat de combinatie van politiek/militair leider van een stam en dat van sjamaan in één en dezelfde persoon regelmatig voorkwam. Het Mongoolse woord voor sjamaan Beki kwam vaak voor in de namen van stamleiders, zoals bijvoorbeeld in die van Khudukha-Beki, de belangrijkste leider van de Oirat-Mongolen in het begin van de 13e eeuw.
De overgebleven Pāli-teksten zijn allemaal afkomstig uit de Mahāvihāra-traditie. Terwijl de andere tradities zoals Abhayagiri ongetwijfeld hun eigen productieve literatuur hadden, is niets van hun werk bewaard gebleven in Pali.


Er was daarnaast sprake van een omvangrijke voorouderverering. In de meest zichtbare vorm uitte zich dat in de Ongghot's. Dat waren feitelijk poppen, meestal gemaakt van vilt, maar in religieuze zin de fysieke vertegenwoordigers van de zielen van overleden sjamanen, maar ook wel van anderen. De Ongghots's speelden een belangrijke rol in rituelen, die om de bescherming en ondersteuning van de ziel of geest van een overleden sjamaan vroegen. Aan de Ongghut's werden offers gebracht zoals de eerste melk van schapen, geiten en paarden.
Theravāda-boeddhisten ontwikkelden ook een reeks schriftuurlijke commentaren (de Atthakatha genaamd). De Theravāda-traditie stelt dat er zelfs tijdens Mahinda's vroege dagen een traditie van Indiase commentaren op de geschriften bestond. Er waren ook verschillende commentaren op de Tipitaka, geschreven in het Singalees , zoals de Maha-atthakatha ("Groot commentaar"), de belangrijkste commentaartraditie van de Mahavihara-monniken, die nu verloren is gegaan. Verder waren er ook Singalees-teksten die werden geschreven om de Pali-boeddhistische leerstellingen te vertalen en uit te leggen aan degenen die geen kennis hadden van Pali. De Singalees-taal ontwikkelde zich dus tijdens de Anuradhapura-periode onder invloed van Pali (evenals Sanskriet en Tamil).


Het was dan ook op deze zichtbare vorm van voorouderverering, dat de Tibetaanse lamas die als missionaris in de Mongoolse gebieden actief waren, zich als eerste begonnen te richten. Al die missionarissen en de Mongoolse heersers als hun beschermheren legitimeerden die acties met uitspraken van Sönam Gyatso, die een verbod voor het in bezit hebben van Ongghot's voorwaarde gemaakt zou hebben voor zijn activiteiten onder de Mongolen. Op het bezit van Ongghot's werden strenge straffen gesteld, zoals het verliezen van al het persoonlijke bezit van de familie. Er zijn veel verhalen in de Mongoolse kronieken van eind 16e en de 17e eeuw die melding maken van gedwongen massale verbranding van Ongghot's onder leiding van Tibetaanse missionarissen. De sjamanistische idolen werden vervangen door afbeeldingen van boeddhistische godheden. In plaats van de sjamanistische liederen werden mantras en tantrische exorcistische rituelen onderwezen. Uit de kronieken wordt echter ook duidelijk dat er bij een zeer aanzienlijk deel van de bevolking aanzienlijke weerstand tegen de transitie van sjamanisme naar boeddhisme bestond.
Als resultaat van het werk van latere Zuid-Indiase geleerden die werden geassocieerd met de Mahāvihāra, voornamelijk Buddhaghosa (4e – 5e eeuw CE), Dhammapala en Buddhadatta , namen Sri Lankaanse boeddhisten Pali over als hun belangrijkste scholastieke taal. Door deze invoering van een lingua franca kon de Sri Lankaanse traditie internationaler worden, waardoor de banden met de gemeenschap in Zuid-India en Zuidoost-Azië gemakkelijker werden.


Er werden naast strafmaatregelen ook beloningen uitgeloofd. De Tusheti Khan van de Khalkha-Mongolen beloofde rond 1630 een koe aan iedereen die uit het hoofd een samenvatting van de boeddhistische doctrine kon geven en een paard voor het uit het hoofd reciteren van de dharani (een tekst vergelijkbaar met die van een mantra) van Yamantaka. De strijd tegen het sjamanisme duurde tot in de tweede helft van de 18e eeuw. Daarna was er sprake van een zekere co-existentie.
Deze Mahāvihāra Theravāda-monniken produceerden ook nieuwe Pāli-literatuur, zoals historische kronieken, hagiografieën, oefenhandleidingen, samenvattingen, leerboeken, poëzie en Abhidhamma- teksten. Buddhaghosa's werk over Abhidhamma en boeddhistische praktijken, zoals zijn Visuddhimagga , blijven de meest invloedrijke teksten van de moderne Theravāda-traditie, afgezien van de Pāli Canon.


Een deel van het sjamanisme had zich toen als middel ter verdediging al gecamoufleerd door aan de oppervlakte boeddhistische frases te gaan gebruiken en boeddhistische godheden nominaal te gaan vereren. Tot in de 21e eeuw is er dan ook in Mongolië sprake van zowel een puur sjamanisme dat heeft overleefd en een soort mengvorm met enkele boeddhistische uitgangspunten en rituelen.
==Oorlogvoering, achteruitgang en herstel van de sangha==


==De ontwikkeling van het pantheon==
De [[Inamaluwa|Sigiriya]] ("Leeuwenrots"), een rotsfort en een stad, gebouwd door koning Kashyapa (477 - 495 n.Chr.) Als een nieuwe, meer verdedigbare hoofdstad. Het werd ook gebruikt als een boeddhistisch klooster nadat de hoofdstad was teruggebracht naar Anuradhapura.
Vanaf de 5e eeuw (na de dood van Mahanama in 428 CE) tot de elfde eeuw zag het eiland Sri Lanka de verzwakking van het koninklijk gezag van Anuradhapura, voortdurende oorlogvoering tussen Singalees koningen, pretenders en buitenlandse indringers uit Zuid-Indiase dynastieën (de Cholas , Pallavas en Pandyas ). Deze Zuid-Indiase dynastieën waren sterk hindoeïstisch en probeerden vaak de boeddhistische invloed te elimineren. Na verloop van tijd werd het Zuid-Indiase boeddhisme weggevaagd, en dit verbrak een belangrijke culturele band tussen Sri Lanka en Zuid-India.


In de loop van vooral de 17e eeuw werd het pantheon van boeddhisme in Mongolië geordend. De belangrijkste manier om de weerstand tegen de introductie van het boeddhisme te kanaliseren was de opname van preboeddhistische elementen. Deze assimilatie van preboeddhistische elementen was eerder voorgekomen in andere boeddhistische culturen, maar nooit in de mate waarin dat in Tibet en Mongolië plaatsvond. De ontwikkeling van het pantheon verliep ook vaak op een wijze die grote gelijkenis vertoonde met die van de ontwikkeling in Tibet vele eeuwen eerder.
In dit tijdperk van conflict werden boeddhistische kloosters geplunderd en werd de situatie vaak moeilijk voor het boeddhisme. Ondanks de instabiliteit zag dit tijdperk echter ook de uitbreiding van de boeddhistische cultuur, kunst en architectuur.  In de 9e eeuw waren boeddhistische kloosters machtige instellingen die eigendom, land, landgoederen en irrigatiewerken bezaten. Ze hadden deze landgoederen gekregen van koningen en hadden ze over het algemeen voor altijd in handen. Boeddhistische kloosters in deze fase van de Sri Lankaanse geschiedenis waren in feite zelfvoorzienende economische eenheden die werden beschermd door de Singalees koningen. Deze boeddhistische instellingen werden ook vaak geplunderd in tijden van interne strijd door Singalees heersers die onderling beconcurreerden, zoals tijdens het bewind vanDathopatissa I (639-650) en Kashyapa II (650-659).  


In de 8e eeuw had Padmasambhava lokale geesten en machten onderworpen die hem hinderden bij het bouwen van het eerste boeddhistische klooster (Samye) in Tibet. Deze krachten werden gedwongen zich te bekeren tot beschermers van het boeddhisme. Een van die krachten,Pehar, kreeg het gezag daarover en ontwikkelde zich in het pantheon tot de beschermheer van Tibet en de gelugtraditie.
Tussen de regeringen van Sena I (833-853) en Mahinda IV (956-972), zag de stad Anuradhapura een "kolossale bouwinspanning" door verschillende koningen tijdens een periode van vrede en welvaart, het grootste deel van de huidige architectonische overblijfselen in deze stad dateren uit deze periode. Dit werd echter gevolgd door de invasie en verovering van het hart van Anuradhapura door het Chola-rijk ( tussen 993 en 1077 ), een oorlog die Anuradhapura verwoestte en een einde maakte aan het koninkrijk.  


==De Polonnaruva tijdperk==


De plaats en rol van Pehar werd in Mongolië ingenomen door Begtse. Tijdens zijn reis naar Mongolië en het gebied van Altan Khan werd Sönam Gyatso voortdurend gehinderd door de krijgsgod Begtse. Hij probeerde op deze wijze te verhinderen dat Sonam Gysatso zijn bestemming zou bereiken en dus de Mongolen tot het boeddhisme zou bekeren. Sönam Gyatso zou hierop de vorm van de vierarmige Avalokitesvara hebben aangenomen. De hoeven van zijn paard zouden afdrukken op de grond achtergelaten hebben in de vorm van de tekst van de mantra Om mani padme hum. Hierna erkende Begtse zijn nederlaag, bekeerde zich tot het boeddhisme, werd in het pantheon de belangrijkste beschermer van het boeddhisme en uiteindelijk de beschermheer van Mongolië.
De Sinhalas in het zuiden van het eiland (voornamelijk het koninkrijk Rohana) bleven weerstand bieden en het eiland werd volledig heroverd door Vijayabahu I (1055-1110) door 1070 die het koninkrijk Polonnaruva stichtte. De toestand van het Sri Lankaans boeddhisme was in die tijd zo slecht dat hij op het hele eiland geen vijf monniken kon vinden om nog meer monniken te wijden en de monastieke traditie te herstellen; daarom stuurde hij een ambassade naar Birma , die verschillende vooraanstaande oudsten met boeddhistische teksten terugstuurde. Vijayabahu staat ook bekend om het bouwen van de Tempel van de Tand.


===Goden===
De volgende invloedrijke figuur in het Singalees boeddhisme was Parākramabāhu I (1153-1186) die het eiland verenigde en de Sri Lankaanse boeddhistische sangha wilde hervormen. De Silva merkt op dat deze belangrijke hervormingsgebeurtenis traditioneel werd gezien als de triomf van de Mahāvihāra en de onderdrukking van de andere scholen, maar dat "recent onderzoek heeft aangetoond dat dit nogal onnauwkeurig is". Alle boeddhistische instellingen waren ernstig beschadigd door de hindoe-cholas, en de drie belangrijkste tradities waren gefragmenteerd in acht broederschappen. Parākramabāhu verenigde deze allemaal tot een gemeenschappelijke gemeenschap, die door de Mahāvihāra leek te zijn gedomineerd, maar die de sektarische concurrentie niet volledig stopte.
Honderden pre-boeddhistische Mongoolse elementen werden in het boeddhistische pantheon opgenomen, zoals de Vuurgoden De Hemelse Wezens en De Witte Oude Man. Veel van die krachten kregen ook een plaats in de rolverdeling van de tsam, de religieuze dans in vrijwel alle boeddhistische kloosters in Mongolië. Net zoals in Tibet moesten deze krachten in het te creëren pantheon ruimte maken voor boeddha's en bodhisattva's, die voor de introductie van het boeddhisme niet in het pantheon aanwezig waren. Deze laatste twee hadden een transcendentale oorsprong, die niet alleen over de kracht beschikten om de dharma te beschermen, maar ook om gelovigen te helpen op hun pad naar de uiteindelijke verlichting. De getransformeerde preboeddhistische krachten waren vanaf dat moment meer mundane, cq. wereldlijke goden en werden geacht niet over transcendentale gaven en krachten te beschikken.


Er wordt onderscheid gemaakt tussen mundane en supra-mundane godheden, waarbij de laatsten van transcendentale oorsprong zijn. In Mongolië ontwikkelde Yamantaka zich tot de meest vereerde supra-mundane dharmapala. In strikt theologische zin waren de mundane krachten inferieur vergeleken met de supra-mundane godheden, maar hadden daarentegen een veel grotere invloed op het dagelijks leven van de gelovige dan de supra-mundane godheden. Het geloof dat de mundane dharmapala's een grotere invloed hadden op het dagelijks leven van de gelovige hing samen met de overtuiging dat deze ook menselijke emoties als jaloezie, boosheid en dergelijke kenden, waardoor ze in dat dagelijkse leven ook effectiever konden handelen dan de supra-mundane beschermers. Ze konden ook aanstoot nemen aan handelingen van zowel mensen als andere mundane beschermers.
Parākramabāhu schijnt de sangha te hebben gezien als verdeeld, corrupt en behoefte aan hervorming, vooral de Abhayagiri. De Cūḷavaṁsa stelt dat boeddhistische kloostergemeenschappen in deze tijd veel conflicten hadden. Deze kroniek beweert ook dat veel monniken in de Sri Lankaanse sangha zelfs waren begonnen te trouwen en kinderen hadden gekregen, en zich meer gedroegen als lekenvolgelingen dan als kloosterlingen. Parākramabāhu's belangrijkste monastieke leider in deze hervormingen was Mahathera Kassapa, een ervaren monnik die goed thuis was in de Sutta's en Vinaya. Volgens sommige bronnen werden sommige monniken ontslagen en kregen ze de keuze om ofwel terug te keren naar de leken, ofwel een poging tot herordinatie onder de nieuwe verenigde Theravāda-traditie als 'novicen' (Sāmaṇera).


==Zanabazar (1635-1724)==
Parākramabāhu I staat ook bekend om het herbouwen van de oude steden Anuradhapura en Polonnaruwa , het herstellen van boeddhistische stoepa's en Vihara's (kloosters). Hij benoemde een sangharaja , of "koning van de sangha", een monnik die de sangha en zijn wijdingen in Sri Lanka zou voorzitten, bijgestaan ​​door twee afgevaardigden.
In 1639 werd een beslissende stap gezet in de ontwikkeling naar een georganiseerd boeddhisme in Mongolië. In dat jaar benoemden de Khans van de Khalkha-Mongolen de dan vierjarige Zanabazar (1635-1724), zoon van de Tusheti-Khan, tot hun geestelijk leider. De Khalkha's waren in die periode voor het grootste deel volgelingen van de sakya-traditie In 1650 bracht hij een periode in Tibet door. Hij werd door de vijfde dalai lama Ngawang Lobsang Gyatso ( 1617-1682) bekeerd tot de gelugtraditie en geproclameerd tot de Jebtsundamba.


In de traditie ging de lijn van de Jebtsun Dampa terug naar de tijd van de Boeddha zelf. De eerste reïncarnatie van de Jebtsun Dampa zou ca. 2500 jaar geleden een discipel van de Boeddha zijn. Zanabazar werd daarmee de zestiende reïncarnatie van de Jebtsun Dampa. Hiermee kwam de reïncarnatielijn van de Jebtsun Dampa in de gelugtraditie, waarmee het onder het leiderschap van Zanabazar in de decennia daarna de dominante religieuze machtsfactor werd in Mongolië. In veel - ook Mongoolse - geschiedschrijving over dit onderwerp begint de nummering van de jebtsundamba's met Zanabazar als de eerste.
Volgens Alastair Gornall zag de periode tussen de 10e en 13e eeuw een enorme explosie in de samenstelling van Pali-literatuur. Een deel van de impuls achter deze literaire inspanningen was de angst dat de Indiase invasies en verschillende oorlogen op het eiland zouden kunnen leiden tot het verval van het boeddhisme. Om dit te voorkomen, probeerden Pali-auteurs uit het hervormingstijdperk werken te schrijven die de essentie (sara) van de leer van de Boeddha zouden beschermen.


In de decennia daarna stichtte Zanabazar vele gelugkloosters in het Khalkha-deel van Mongolië. Er is nooit een Mongools document gevonden dat ook maar iets vermeldt over de bekering van de Khalka-Mongolen van de sakyatraditie naar die van de gelug. Waarschijnlijk voerden de Tibetaanse lama's die Zanabazar mee naar Mongolië had genomen, de veranderingen in rituelen, liturgie, et cetera geleidelijk door. De theologische kennis omtrent het boeddhisme bij het overgrote deel van de Mongolen was in die tijd ook nog zo marginaal, dat aangenomen mag worden dat men andere rituelen, liturgie, etc. simpelweg niet als verandering opmerkte.
Deze literatuur omvat het werk van vooraanstaande geleerden zoals Anuruddha, Sumangala, Siddhattha, Sāriputta Thera , Mahākassapa van Dimbulagala en Moggallana Thera. Ze werkten aan het samenstellen van subcommentaar bij de Tipitaka, grammatica's, samenvattingen en leerboeken over Abhidhamma en Vinaya, zoals de invloedrijke Abhidhammattha-sangaha van Anuruddha. Ze schreven ook Pali-poëzie in kavya- stijl en filologische werken. Hun werk was grotendeels te danken aan de invloed van het Sanskrietgrammatica en poëzie, in het bijzonder zoals geïnterpreteerd door de Sri Lankaanse geleerde Ratnamati. Tijdens deze periode tonen deze nieuwe Pali-leerstellige werken ook een toenemend bewustzijn van onderwerpen die in de Sanskriet-boeddhistische Mahayana-literatuur voorkomen.


Historici hebben veel geschreven over de motivatie die de Tusheti-Khan zou moeten hebben gehad om een instituut als de jebtsundamba te creëren. De Khans' van de Khalkha's zouden zich op rationeel niveau realiseren, dat er een creatie nodig was van een centrale kracht, waarachter de laatste nog onafhankelijke oostelijke Mongoolse stamfederatie zich zou kunnen scharen. De Mongoolse geschiedenis had geleerd, dat dit niet een seculiere kracht kon zijn. Het georganiseerde boeddhisme in Mongolië was op dat moment de enige plaats van intellectuele kennis. In Tibet had het al een gedisciplineerde hiërarchische organisatie. De Tusheti Khan zou op die manier een alliantie met die kennis willen vormen en deed dit door het creëren van een vorm van pontificaat voor zijn eigen zoon vergelijkbaar met dat van een dalai lama in Tibet.
Tijdens het Polonnaruva-tijdperk zag Theravāda ook de toenemende populariteit van ārannavāsin (bosbewoner) monniken, die bekendheid verwierven in de wetenschap en de leiding namen in hervormingsbewegingen.


Historici wijzen ook op de mogelijkheid dat de Tusheti-Khan door de erkenning van zijn zoon een mogelijke poging vanuit Lhasa wilde voorkomen tot vestiging van een panboeddhistische theocratie in Centraal-Azië, die vanuit Tibet aangestuurd zou worden. Een dergelijke politieke opvatting werd later bij de vijfde dalai lama en vooral Sanggye Gyatso, de regent in Tibet van 1678-1703, wel degelijk duidelijk.
Toen de nieuwe Mahāvihāra Theravāda-school dominant werd in Sri Lanka, verspreidde deze zich geleidelijk over het vasteland van Zuidoost-Azië. Theravāda vestigde zich in Myanmar aan het einde van de 11e eeuw, in Thailand in de 13e en vroege 14e eeuw, en in Cambodja en Laos tegen het einde van de 14e eeuw. Hoewel Mahavihara andere scholen in Zuidoost-Azië nooit volledig heeft vervangen, ontving het bij de meeste koninklijke hoven speciale gunst. Dit is te danken aan de steun die het kreeg van lokale elites, die een zeer sterke religieuze en sociale invloed uitoefenden.  


In 1691 onderwierpen de Khalkha-Mongolen zich onder de leiding van Zanabazar aan de Qing-keizer Kangxi, (1654-1722). Het gevolg was, dat Mongolië tot 1911 deel uit zou maken van het Chinese rijk. Na Zanabazar zouden er in Mongolië nog zeven jebtsundamba's volgen. De laatste daarvan overleed in 1924.
==Fragmentatie en verval==


==De Changkya Koetoektoe==
Yapahuwa, een van de Sinhala- rotsforten van deze tijd. Koning Bhuvenakabahu vluchtte hier in 1272 met het tandrelikwie om aan indringers te ontsnappen. Het werd later verlaten en werd een thuis voor boeddhistische monniken.
Na de onderwerping van de Khalkha-Mongolen besloot Kangxi ook voor de Mongolen in Binnen-Mongolië een soortgelijk instituut als de jebtsundamba te creëren. Dat werd de lijn van de Changkya Koetoektoe. Het is daarmee de enige tulkulijn binnen het Tibetaans-Mongoolse boeddhisme die door de Mantsjoes zelf werd gecreëerd. Tot aan 1949 waren er in Binnen-Mongolië zeven Changkya Koetoektoe's.
Na de dood van Parākramabāhu I viel zijn rijk uiteen in strijdende partijen, en Zuid-Indiase indringers hervatten hun aanvallen op het eiland, wat uiteindelijk leidde tot de snelle ondergang van het Polonnaruva-koninkrijk. Er was een korte periode van wederopbouw onder Nissanka Malla , die de bouw promootte van grote boeddhistische centra in Nissanka Latha Mandapaya , Rankoth Vihara en Hatadage.


De derde daarvan, Changkya Rölpe Dorje (1717-1786), had immense invloed als de belangrijkste adviseur van de Chinese keizer Qianlong (1711-1799) inzake Tibetaanse en Mongoolse aangelegenheden. Rölpe Dorje heeft een aanzienlijk literair oeuvre nagelaten. Hij was de auteur van De Driehonderd Iconen, een beschrijving van het boeddhistische pantheon in Mongolië.[2] Hij was verantwoordelijk voor de eerste complete vertaling in het Mongools van de tengyur, de commentaren op de kangyur. Beide boeken vormen tezamen de canon van het Tibetaans boeddhisme. Deze tengyur werd in 1749 voor het eerst in blokdruk uitgegeven.
Het koninkrijk bleef echter achteruitgaan onder de aanvallen van Zuid-Indiase staten. De laatste Sinhala-koning die vanuit Polonnaruva regeerde was Parākramabāhu III (1302-1310), die eigenlijk een klantkoning van de Pandya's was en zich later moest terugtrekken in Dambadeniya . Hierna werden Singalees-koningen gedwongen zich verder naar het zuiden terug te trekken (naar steden als Kurunagala en Gampola ), voornamelijk op zoek naar veiligheid vanuit Zuid-Indiase staten en vanuit het uitgestrekte Tamil- koninkrijk Jaffna (een hindoeïstisch rijk dat nu het noorden beheerste). ten westen van het eiland).  


==Syncretisme==
Deze instabiliteit leidde ook tot de teloorgang van de discipline van de sangha. Singalees koningen probeerden verschillende maatregelen om dit verval te stoppen , zoals het zuiveren van de sangha van ongedisciplineerde monniken en de introductie van de post van sangharaja (hoofd van de sangha) onder de Gampola-koningen. Met betrekking tot sektarische verschillen, deze waren grotendeels uitgewerkt op dit moment in de tijd, met de adoptie van enkele Mahayana (evenals hindoeïstische) goden en de rituelen van de andere sekten in de Theravada orthodoy. De cultus van het tandrelikwie behield bijvoorbeeld zijn belang. Ondanks alle instabiliteit werd Sri Lanka door boeddhisten in Zuidoost-Azië gezien als een nieuw heilig land, omdat het relikwieën van de Boeddha bevatte die toegankelijk waren, in tegenstelling tot India waar het boeddhisme en de mosliminvasies waren verdwenen.


Even na het midden van de 18e eeuw had het rijk van de Qing-dynastie zijn grootste omvang bereikt. Vanaf die periode gingen de keizers in hun religieuze politiek een beleid voeren ten aanzien van het syncretiseren van met name boeddhistische en Chinese godheden.
Deze periode van de Dambadeniya-koningen zag ook een bloei van religieuze poëzie, zoals de Kavsilumina , geschreven door koning Parākramabāhu II in mahakavya- stijl en de Saddharma Ratnavaliya (die verhalen over het Dhammapada-commentaar navertelt).  


Rölpe Dorje schreef een Gebed voor Guan Yu. In dit werk syncretiseert hij de Chinese oorlogsgod Guan Yu met boeddhistische godheden, zoals Yamantaka. Guan Yu wordt hierin vereerd als de verspreider van het boeddhisme en die zich richt op de pacificatie van allen die in het (Chinese) Rijk leven.
==De invloed van Mahāyāna==
In de 19e eeuw lieten Chinese keizers en met name Jiaqing (1760-1820) en Daoguang (1782-1850) honderden tempels voor Guan Yu bouwen in Mongools gebied en Mantsjoerije, het gebied waaruit hun dynastie afkomstig was. Vanaf begin 19e eeuw werd Guan Yu ook gesyncretiseerd met Koning Gesar.
[[File:Buddhist_monks_in_Sri_Lanka.jpg|thumb|350px|Singalese boeddhistische monniken]]


==Kloosterleven==
De verering van Avalokiteśvara (Lokeshwara Natha) is tot op de dag van vandaag voortgezet in Sri Lanka, waar hij Nātha wordt genoemd. In recentere tijden hebben enkele westers opgeleide Theravādins geprobeerd Nātha met Maitreya te identificeren . Echter, tradities en fundamentele iconografie, inclusief een afbeelding van Amitābha op zijn kroon, identificeren Nātha als Avalokiteśvara.
Net als in Tibet was het kloosterleven in Mongolië een massabeweging. Het klooster had geen beperkingen ten aanzien van opleiding of ambities en analfabete monniken, die ook analfabeet wilden blijven waren welkom. Er waren geen opleidingseisen, examens, proeven of dergelijke die monniken moesten afleggen om in het klooster te blijven. Monniken die geen interesse of ambitie hadden in studie en/of meditatie waren even welkom als de zeer weinige geleerde monniken.


Ook het Mongoolse monastieke systeem ging uit van een ideologie die gericht was op het creëren van een zo groot mogelijk aantal monniken. De meeste monniken werden op de leeftijd van tussen 6 en 9 jaar door hun ouders in een klooster geplaatst. Sommige ouders deden dit uit religieuze overwegingen en vanuit de overtuiging dat het monnik zijn een groot privilege was. Voor andere ouders was het een middel om het aantal te voeden kinderen te verminderen. In een aantal gevallen kon een zoon die monnik geworden was, dan zijn familie ondersteunen met een deel van de bijdrage die hij als monnik van het klooster ontving. Een groot deel van de monniken leefden thuis bij hun familie en gingen alleen naar het klooster op de momenten dat er na een dienst geld of producten in natura verdeeld werden.
Alleen al uit sculpturaal bewijs blijkt dat het Mahāyāna tamelijk wijdverspreid was in heel Sri Lanka, hoewel het moderne verslag van de geschiedenis van het boeddhisme op het eiland een ononderbroken en zuivere lijn van Theravāda laat zien. (Men kan alleen maar aannemen dat soortgelijke trends werden overgedragen naar andere delen van Zuidoost-Azië met Sri Lankaanse wijdingslijnen.) Overblijfselen van een uitgebreide cultus van Avalokiteśvara zijn te zien in de huidige figuur van Nātha.  


Aan het eind van de 19e eeuw was omstreeks 30% van de mannelijke bevolking monnik. Het grootste Mongoolse klooster was Gandantegchinlen, gebouwd in het begin van die eeuw in opdracht van de vierde jebtsundamba. Deze had dit klooster gesticht met de bedoeling dat hier alleen monniken zouden verblijven, die echt gevorderde theologische studies wilden verrichten. Een onderzoek uit 1924 had echter als resultaat, dat ruim 90% van de ongeveer 2000 daar verblijvende monniken analfabeet was.
Koningen van Sri Lanka werden vaak beschreven als bodhisattva's , die minstens zo vroeg begonnen als Sirisanghabodhi (reg. 247–249), die een ' mahāsatta ' ('groot wezen', Sanskriet mahāsattva ) werd genoemd, een bijnaam die bijna uitsluitend in het Mahayana wordt gebruikt. Veel andere Sri Lankaanse koningen van de 3e tot de 15e eeuw werden ook beschreven als bodhisattva's en hun koninklijke plichten werden soms duidelijk geassocieerd met de beoefening van de tien pāramitā's. In sommige gevallen beweerden ze expliciet voorspellingen van Boeddhaschap in vorige levens te hebben ontvangen.


==Ontwikkelingen in de negentiende eeuw==
==Modern tijdperk==
===vroege Kolonialisme===  


In de loop van de 19e eeuw was er sprake van steeds verder toenemende armoede en verpaupering in Mongolië. De uitzondering hierop waren de grote boeddhistische kloosters in het land. Vrijgesteld van belasting vergaarden die enorme rijkdommen. Aan het eind van de 19e eeuw controleerden ze 30% van het totale toenmalige nationale product van Mongolië. De achtste jebtsundamba (1870-1924) had op zijn persoonlijke landgoederen 28.000 shabinar (horigen van het georganiseerd boeddhisme) werken.
Tijdens het begin van de 16e eeuw was Sri Lanka gefragmenteerd in verschillende kleine staatsbesturen. Het Portugese rijk maakte hiervan gebruik en vestigde Colombo als een manier om de kaneelhandel te beheersen . De Portugezen raakten betrokken bij verschillende oorlogen met deze koninkrijken. Tussen 1597 en 1658 kwam een ​​aanzienlijk deel van het eiland onder Portugees bestuur , hoewel hun controle nogal zwak was en vatbaar voor rebellie. Alleen het koninkrijk Kandy behield zijn onafhankelijkheid.  


Het georganiseerde boeddhisme in Mongolië degenereerde in de loop van de 19e eeuw geheel. Zonder uitzondering beschreven buitenlandse bezoekers aan Urga in de 19e eeuw de door hen als pervers geziene handelwijze van de top van dat georganiseerde boeddhisme. De relatief kleine stad Urga had rond 1870 ongeveer 30.000 inwoners. Daarvan waren er circa 12.000 monniken. Naast de jebtsundamba waren er nog 46 andere reïncarnaties van de hoogste orde. De kosten voor het extravagante bestedingspatroon moesten door een straatarme bevolking worden opgebracht.
De Portugezen probeerden het katholicisme op het eiland te introduceren , en in hun oorlogen met de Singalezen verwoestten ze vaak boeddhistische kloosters of droegen ze deze over aan katholieke ordes. Vanaf de 16e eeuw probeerden christelijke missionarissen de lokale bevolking tot het christendom te bekeren. Niet-christelijke religies werden onderdrukt en vervolgd, terwijl christenen een voorkeursbehandeling kregen. In de loop van de tijd ontwikkelde zich een christelijke minderheid op het eiland. Deze door oorlog verscheurde periode verzwakte de boeddhistische sangha zo erg dat in 1592 Vimaladharmasuriya I van Kandyzocht hulp bij Birma om boeddhistische monniken te wijden, aangezien er nauwelijks een enkele behoorlijk gewijde monnik over was.


De vijfde, zevende en achtste jebtsundamba overleden alle drie aan de gevolgen van syfilis (de zesde overleed op de leeftijd van vijf jaar). Het is met name de levenswijze van de zevende en achtste jebtsundamba die in belangrijke mate bijdroeg aan het morele failliet van de hiërarchie in het Mongoolse boeddhisme van die periode.
Van 1612 tot 1658 vochten de Nederlanders en de Portugezen om het eiland, en Kandy koos de kant van de Nederlanders. De Nederlanders veroverden en bezetten de meeste kustgebieden van het eiland (Nederlands Ceylon, 1640–1796), terwijl het koninkrijk Kandy het binnenland behield. De Nederlanders waren minder ijverig dan de Portugezen in hun religieuze bekering, hoewel ze nog steeds niet-christenen (evenals katholieken) discrimineerden. Niet-protestantse eredienst was in sommige steden ook niet toegestaan, en boeddhistische tempeleigenschappen die door de Portugezen in beslag waren genomen, werden niet teruggegeven.


Er kwam na de machtsovername door de Mongoolse Volkspartij in 1921 wel een hervormingsbeweging binnen dat georganiseerd boeddhisme op gang, maar dat was gezien de toenmalige omstandigheden te laat en te weinig. De revolutionaire beweging had besloten de macht van het georganiseerd boeddhisme in het land te breken en beschikte vanaf 1930 ook over de middelen om dat uit te voeren.
In het Kandyan-koninkrijk in het binnenland bleef het boeddhisme de staatsgodsdienst. Kandyan-heersers bleven boeddhistische instellingen betuttelen zoals de oude Singalees-koningen hadden gedaan, en zij bleven de controle over het tandrelikwie. Gedurende een groot deel van de 18e eeuw bevond de sangha zich echter in een verzwakte staat, waarbij de wijdingslijn verbroken was. De boeddhistische "priesters" van het koninkrijk misten de juiste wijdingsriten (er zijn ten minste 5 volledig gewijde monniken nodig om een ​​nieuwe monnik volledig te wijden). Deze boeddhistische religieuze figuren die niet echt echte monniken waren (" monniken "), maar een soortgelijke rol speelden als traditionele monniken, werden ganinnanses genoemd.Kandyan-koningen probeerden de wijdingslijn te herstellen door hun religieuze banden met het Birmese boeddhisme, maar deze waren niet erg succesvol.


==Ontwikkelingen in de twintigste eeuw==
De meest succesvolle poging om de sangha nieuw leven in te blazen werd geleid door Weliwita Sri Saranankara Thero (1698–1778), die de hogere wijding op het eiland herstelde door monniken uit Thailand uit te nodigen (en aldus de moderne Siam Nikaya oprichtte die tot op de dag van vandaag overleeft). Met de steun van de Kandyan-koning Kirti Sri Rajasinha , werkte Weliwita ook om het primaat van het boeddhistische ritueel vast te stellen, en de moderne vorm van het Festival of the Tooth Relic dateert uit deze tijd. Het was ook tijdens deze periode dat Kirti Sri Rajasinha een decreet uitvaardigde waarin stond dat alleen die van de govigamakaste kon toetreden tot de Siam Nikaya, en die niet-govigama monniken die wel bestonden, werden verbannen of mochten niet deelnemen aan hogere wijding.


In 1911 viel de Qing-dynastie. Mongolië werd een onafhankelijk land. De achtste jebtsundamba riep zich uit tot staatshoofd met de titel Bogd Khan. De periode tot 1921 was het hoogtepunt van toenemend nepotisme en zelfverrijking van de boeddhistische hiërarchie. Aan hoge koetoektoes werden adellijke titels verleend. De daarbij behorende landgoederen werden vrijgesteld van belasting.
Tijdens de regering van Kirti Sri Rajasinha (1747-1782) en Rajadhi Rajasinha (1782-1798) werden ook veel boeddhistische tempels gerestaureerd die in eerdere oorlogen waren verwoest door de bouw van nieuwe tempels (met name in en rond Kandy, zoals Malvatta , Gangarama en Degaldoruva).


In 1921 wist een kleine groep revolutionairen onder de naam van de Mongoolse Volkspartij met hulp van de Sovjet-Unie de macht in Mongolië te veroveren. De jebtsundamba mocht tot zijn dood in 1924 als staatshoofd met minimale bevoegdheden aanblijven. De Partij was nog niet machtig genoeg om een zoektocht naar een jebtsundamba volstrekt te verbieden. Het had echter de ambitie om een andere sociale en economische ordening in het land te realiseren en verwachtte daarbij uiteraard weerstand van de hiërarchie van het georganiseerd boeddhisme. Het wilde dan ook niet gelijk het tactische voordeel opgeven om het georganiseerde Mongoolse boeddhisme voorlopig zonder geestelijk leider te laten. De Partij wist de installatie van een nieuwe jebtsundamba te verhinderen.
===Britse overheersing===


Vanaf 1926 werd wetgeving van kracht, dat intrede in een klooster pas vanaf de leeftijd van 18 jaar kon plaatsvinden. Voor het eerst werden bezittingen van kloosters ook - voor een overigens gematigd tarief - belast. Het nieuwe regime ging uit van een classificatie van de lama's in drie groepen. Een meerderheid van zeer arme lama's, een kleine bovenlaag van zeer welgestelde lama's en een groep daartussen. Het regime probeerde met name de grote groep arme lama's mogelijkheden aan te bieden voor een seculier bestaan. Ongeveer 14.000 lama's verlieten ook het klooster, maar de aanwas in die jaren was groter. Het georganiseerde boeddhisme in Mongolië nam in die jaren toe. Het aantal monniken in 1925 bedroeg ongeveer 120.000. Het gezamenlijk inkomen van de kloosters was in dat jaar vrijwel even veel als dat van de staat.
In 1795-1796 kwamen de Nederlandse gebieden in Sri Lanka onder controle van de Britse Oost-Indische Compagnie. In 1815 veroverde een Brits leger een politiek verdeeld Kandy en zette de Singalese koning af. De Britten behielden Sri Lanka tot 1948 (hoewel het tot 1972 een heerschappij bleef). Het oorspronkelijke overleveringsverdrag, de Kandyan-conventie, stelde dat de boeddhistische religie zou worden beschermd en gehandhaafd.


Tot aan 1929 was de strijd tussen het boeddhisme en het regime vooral een propagandaoorlog. Van beide zijden werden de meest absurde en groteske beschuldigingen geuit. De kloosters waren in die propagandaslag in het voordeel. Ze konden lama's veel gemakkelijker met hun boodschappen tot in de uithoeken van het land zenden dan het regime zelf.
De eerste helft van de 19e eeuw zag de vorming van een nieuwe kloosterbroederschap, de Amarapura Nikaya , door monniken en zouden monniken zijn van niet-govigama-kasten. Ze reisden in het eerste decennium van de 19e eeuw naar Birma om een ​​nieuwe wijding terug te brengen die niet door kaste zou worden beperkt. Deze nieuwe kloosterorde bloeide in de kustgebieden buiten Kandy en maakte zelfs vorderingen op het grondgebied van Kandyan.


In 1929 nam de revolutie echter een extreem-linkse wending. De factie in de partij, die toen de macht greep, was vastbesloten de oude orde geheel te vernietigen. De - in omvang geringe - industrie, detailhandel, transportwezen, maar ook de veestapels werden gecollectiviseerd. Met name in het westen van het land ontstonden opstanden tegen het regime met actieve deelname van kloosters. De top van de boeddhistische hiërarchie nam contact op met zowel de sinds 1923 in ballingschap in China verblijvende negende panchen lama als Japanse diplomaten voor steun het regime te verdrijven. Verhalen over de spoedige komst van de panchen lama aan het hoofd van een leger uit Shambhala namen mythische proporties aan.
Hoewel de Britse regering een voorkeur had voor christenen, stonden ze niet openlijk vijandig tegenover het boeddhisme, uit angst dat religieuze controverses politieke onrust zouden kunnen veroorzaken. Tijdens de eerste twee decennia van de Britse overheersing was er geen officiële Britse steun voor christelijke zendingsverenigingen. Aan hun eigen middelen overgelaten, boekten de inspanningen van deze zendingsorganisaties hun vooruitgang bij het bekeren van de bevolking, hoewel ze wel groeiden.  Hun activiteiten waren ook zeer beperkt in de Kandyan-regio's. Vanaf het begin gebruikten de missies onderwijs als evangelisatiemiddel. Onderwijs op deze scholen (die het boeddhisme in diskrediet brachten) was een vereiste voor het regeringsambt. Christelijke missionarissen schreven ook traktaten in het Singalees waarin ze het boeddhisme aanvielen en het christendom promootten.


De collectivisatie had rampzalige economische gevolgen. In 1932 werd die dan ook voor het grootste deel ongedaan gemaakt. Het resultaat van de vorige drie jaar was wel, dat de nog resterende adel in het land geen enkele betekenis meer had en de enige nog aanwezige tegenstander van het regime het georganiseerd boeddhisme in het land was.
Na de jaren 1830 was er een periode waarin de Britten het christelijke zendingswerk veel actiever steunden. Dit was voornamelijk te danken aan de invloed van pro-missionaire politici zoals Lord Glenelg en gouverneur Stewart Mackenzie (1837-1841), maar ook aan de agitatie van missionaire instanties zelf. Gedurende deze periode hadden de missionaire organisaties de overheersende invloed op het onderwijs, en men geloofde dat onderwijs in de eerste plaats gericht moest zijn op het bekeren van de lokale elites. Ook gedurende deze tijd werd de officiële associatie van de staat met het boeddhisme verbroken, ondanks een volksopstand in 1848. De opstand zorgde er echter voor dat de Britse regering veel conservatiever werd op het gebied van religie en sociale verandering, en in de tweede helft van de 19e eeuw trok ze zich terug van haar steun aan missionaire inspanningen waarvan ze dachten dat ze de Singalezen boos zouden maken.


Vanaf 1932 tot 1940 werd een beleid gevoerd om het georganiseerd boeddhisme het bestaan onmogelijk te maken. Kloosters kregen te maken met exorbitante belastingen. Lama's hoefden geen dienstplicht te vervullen, maar dienden als compensatie daarvoor belasting te betalen. Ook die belasting werd tot een exorbitant niveau opgevoerd.
===de boeddhistische opleving===


De in Mongolië buitengewoon populaire dansfestivals van de Tsam werden onmogelijk gemaakt. Het belangrijkste van die festivals, de Grote Khüree Tsam, werd voor het laatst in 1937 georganiseerd. Het zou tot 2007 duren voor er weer een werd opgevoerd.
In de tweede helft van de 19e eeuw begon een nationale boeddhistische opwekkingsbeweging als reactie op christelijke missionarissen en het Britse kolonialisme. Deze beweging werd gesterkt door de resultaten van verschillende openbare debatten tussen christelijke priesters en boeddhistische monniken zoals Migettuwatte Gunananda Thera en Hikkaduwe Sri Sumangala Thera . De vijf grote openbare debatten met protestantse missionarissen werden gehouden in 1865 (de Baddegama- en Waragoda-debatten), 1866 (Udanwita-debat), 1871 (Gampola-debat) en 1873 (Panadura-debat). Onderwerpen van de debatten waren onder meer God, de ziel, de opstanding, karma, wedergeboorte, nirvana en het principe van afhankelijke oorsprong. Een van deze debatten, de beroemde " Panaduradebat "van 1873 werd algemeen gezien als een overwinning voor Gunananda Thera.


In 1931 was Japan Mantsjoerije binnengevallen en had het jaar daarop daar een marionettenstaat Mantsjoekwo gesticht. Kloosters die op minder dan 100 km van die grens lagen, werden gedwongen van de ene op de andere dag te sluiten. In 1937 werd ook de Chinese provincie Binnen-Mongolië door Japan bezet. Kloosters aan die grens trof hetzelfde lot. Een aanzienlijk deel van de nog resterende hiërarchie streefde overigens inderdaad naar een autonoom Groot-Mongolië (Binnen-Mongolië, Mongolië en Mantsjoerije) binnen Japans staatverband.
De Britse regering, die religieuze conflicten moe was, probeerde in deze tijd grotendeels een politiek van religieuze neutraliteit te voeren. Gedurende deze periode vormden boeddhisten samenlevingen (zoals de Society for the Propagation of Buddhism) en leercentra ( Vidyodaya Pirivena en Vidyalankara Pirivena ) om het boeddhisme te promoten en boeddhistische literatuur te drukken. Er werd ook een nieuwe kloosterbroederschap gevormd, de Ramanna Nikaya (die zich afsplitste van de Amarapura Nikaya), die de nadruk legde op monastieke discipline. In feite werd de opwekkingsbeweging voornamelijk geleid door deze twee Nikaya's, en de Siam Nikaya in Kandy bleef grotendeels niet betrokken.


Er vonden een aantal showprocessen plaats, waar zowel partijleden in het kader van zuiveringen als hoge lama's beschuldigd werden van verraad en samenwerking met Japan. In de jaren 1937-1940 werden ook legeronderdelen ingezet om sluiting van kloosters te forceren. Betrouwbare schattingen ontbreken, maar historici als Bawden en Moses achten een aantal van 15.000 geëxecuteerde hoge lama's realistisch.
==Ontwikkeling boeddhisme 1881 tot 2001==
[[File:Buddhismus_in_Sri_Lanka_2012.svg|thumb|350px|Boeddhisme verdeeld per regio]]
{| class="wikitable" border="1" style="text-align:right;"
|-
! valign=bottom rowspan=2|Jaartal vd volkstelling
! colspan=2|[[Boeddhisme|boeddhisten]]
|-
! width="70"|aantal||width="50"|%
|-
| align=left|1881||1.698.100||61,5%
|-
| align=left|1891||1.877.000||62,4%
|-
| align=left|1901||2.141.400||60,1%
|-
| align=left|1911||2.474.200||60,3%
|-
| align=left|1921||2.769.800||61,6%
|-
| align=left|1931||3.266.600||61,6%
|-
| align=left|1946||4.294.900||64,5%
|-
| align=left|1953||5.209.400||64,3%
|-
| align=left|1963||7.003.300||66,2%
|-
| align=left|1971||8.536.800||67,3%
|-
| align=left|1981||10.288.300||69,3%
|}


In 1925 waren er in Mongolië ruim 600 grotere kloosters, ruim 3000 kleinere kloosters en tempels en nog eens ruim 2000 daarmee verbonden gebouwen. In 1940 was geen daarvan nog met dat doel in gebruik. Veel kloosters werden scholen, opslagplaatsen, kantoren, stallen of stonden simpel leeg.
==Zie ook==
* [[Boeddhisme in Sri-Lanka|Boeddhistische pelgrimage én wandelvakantie door Sri-Lanka]]


Er zijn ook geen betrouwbare cijfers over het lot van de lama's, die nu een seculier bestaan moesten opbouwen. Er werden door de overheid enige ambachtswerkplaatsen geopend, anderen konden een lening krijgen om een bestaan als herder op te bouwen. De beste aanname is echter, dat de meesten zich op één of andere wijze weer bij hun families voegden. In 1944 werd het grootste Mongoolse klooster Gandantegchinlen op zeer beperkte schaal weer geopend. Het functioneerde voornamelijk als museum en de jaren daarna als toeristische attractie.


==Ontwikkelingen vanaf 1991==


In 1991 kreeg Mongolië een meer democratische staatsstructuur. In dat jaar maakte de dalai lama ook het bestaan bekend van een negende jebtsundamba, Jampäl Namdröl Chökyi Gyaltsen. In 1936 zou Jampäl Yeshe Gyaltsen, de vijfde Reting rinpoche en op dat moment heersende regent in Tibet ontdekt hebben dat de dan vierjarige Jampäl Namdröl Chökyi Gyaltsen de incarnatie was van de achtste jabzamdanba, Ngawang Losang Chökyi Nyima Tenzin Wongchuk. Die ontdekking werd vanwege de voor het boeddhisme desastreuze situatie in Mongolië geheim gehouden.
[[categorie: boeddhisme per land]]
 
Toen Tenzin Gyatso, de veertiende dalai lama, in 1959 naar India vluchtte, werd hij gevolgd door Jampäl Namdröl die vreesde dat indien in de nieuw ontstane situatie in Tibet zijn identiteit toch onthuld zou worden dit dan misbruikt zou worden voor communistische propaganda. Vanaf 1992 werd Jampäl Namdröl talloze malen de vraag gesteld, waarom hij zich niet in Mongolië ging vestigen dat zich in democratische richting ontwikkelde, maar in Dharamsala bleef wonen. Hij sprak dan steeds uit dit zo spoedig als de omstandigheden het mogelijk maakten, ook uit te voeren.
 
Waarschijnlijk had Jampäl Namdröl nog lange tijd een functie in het staatsbestel in het nieuwe Mongolië voor zichzelf voor ogen, bijvoorbeeld als monarch of in ieder geval staatshoofd. Achtereenvolgende Mongoolse regeringen weigerden echter altijd een dergelijke optie ook maar te overwegen. In 1999 bezocht Jampäl Namdröl Mongolië voor het eerst op een toeristenvisum. Het zou daarna nog ruim 10 jaar duren voordat hij in 2010 het Mongoolse staatsburgerschap aanvroeg en verkreeg. Hij verbleef een korte tijd in het klooster Gandantegchinlen, maar keerde daarna naar India en Dharamsala terug. In 2011 ging hij als een dan al ernstig zieke man weer terug naar Mongolië. Op 1 november van dat jaar werd hij door de Mongoolse geloofsgemeenschap als hun hoofd geïnstalleerd. Op 1 maart 2012 overleed hij.
 
Na 1991 beleeft zowel het boeddhisme als het sjamanisme een opleving in Mongolië.
 
De opleving van het boeddhisme vindt echter onder totaal gewijzigde omstandigheden plaats. Er is sprake van slechts een fractie van het kloosterleven van voor 1930. Veel meer dan vroeger dienen kloosters zelf in hun inkomsten te voorzien. Giften van gelovigen zijn relatief aanzienlijk minder en de steun van de overheid beperkt zich tot enig onderhoud van waardevol erfgoed.
 
Uit onderzoek van 2007 blijkt, dat er in de hoofdstad naast weer geopende kloosters 36 boeddhistische tempels actief zijn. Buiten de hoofdstad kost het grote moeite om weer geopende kloosters en tempels met voldoende monniken in stand te houden. De veel geringere instroom van monniken en financiële problemen zijn de belangrijkste oorzaak. Een aantal heropende kloosters en tempels buiten de hoofdstad hebben weer moeten sluiten.[4][5]
 
 
[[categorie:boeddhisme per land]]

Huidige versie van 10 jan 2023 om 06:01

In 2020 werd het Boeddhisme door ongeveer 500 miljoen mensen wereldwijd beoefend, wat neerkomt op 7% tot 8% van de totale wereldbevolking. Het Boeddhisme is de dominante religie in Bhutan, Myanmar (Burma), Cambodja, Hong-Kong, Japan, Tibet, Laos, Macau, Mongolië, Singapore, Sri-Lanka, Thailand en Vietnam. Op het vasteland van China, Taiwan, Nepal en Zuid-Korea leven grote boeddhistische bevolkingsgroepen. China is het land met de grootste populatie boeddhisten, ongeveer 244 miljoen of 18,2% van de totale bevolking.

Pijl.png lees meer over dit onderwerp op: Alle statistieken van de spreiding van het Boeddhisme wereldwijd

Categorie indeling
Home - Boeddhisme - Boeddhisme per land
Alle Boeddhistische landen
Buddhist Expansion.svg
Boeddhisme per land
Introductie en statistieken
Bhutan - Burma - Cambodja - China - Hong-Kong - India - Indonesië
Japan- Korea - Laos - Maleisië - Mongolië - Nepal - Rusland
Singapore - Sri-Lanka - Taiwan - Thailand - Tibet - Vietnam
Dhamma wiel

Sri-Lanka

Boeddhistische pelgrimage én wandelvakantie naar Sri-Lanka Boeddhisme in Sri-Lanka Boeddhisme in Sri-Lanka
Grote Stupa in Anuradhapura

Het Theravada boeddhisme is de grootste en officiële religie van Sri-Lanka en wordt sinds 2012 door 70,2 procent van de bevolking beoefend. Beoefenaars van het Sri Lankaans boeddhisme zijn te vinden onder de meerderheid van de Singalese bevolking, evenals onder de etnische minderheidsgroepen.

Het boeddhisme heeft de eerste plaats gekregen in artikel 9 van de Sri Lankaanse grondwet, die terug te voeren is op een poging om de status van het boeddhisme terug te brengen naar de status die het genoot voordat het door kolonialisten werd vernietigd. Op grond van artikel 10 van de Sri Lankaanse grondwet worden de religieuze rechten van alle gemeenschappen echter behouden. Sri Lanka is een van de oudste traditioneel boeddhistische landen.

Het eiland is een centrum van boeddhistische wetenschap en beoefening sinds de introductie van het boeddhisme in de derde eeuw voor Christus, waardoor vooraanstaande geleerden zoals Buddhaghosa werden voortgebracht en de uitgestrekte Pali-canon werd behouden. Gedurende het grootste deel van zijn geschiedenis hebben Sri Lankaanse koningen een belangrijke rol gespeeld in het onderhoud en de heropleving van de boeddhistische instellingen van het eiland. Tijdens de 19e eeuwvond er een moderne boeddhistische heropleving plaats op het eiland, die het boeddhistische onderwijs bevorderde. Vanwege de nauwe banden van de eilanden met India is het Singalees boeddhisme gedeeltelijk beïnvloed door het hindoeïsme en inheemse overtuigingen, en sommige boeddhisten delen soortgelijke overtuigingen met hindoes, zoals de aanbidding van hindoegoden, het kastensysteem en animisme. Sommige traditionele Singalese tempellay-outs bevatten ook individuele heiligdommen die zijn gewijd aan hindoegoden. Enkele van de belangrijkste hindoegoden die door sommige Singalese boeddhisten worden aanbeden, zijn onder meer Vishnu, Murugan, Pathini, Nata, Gambara, Dedimunda, Saraswati, Ganesh, Lakshmi, Shiva en Kali, enz. Demonen en geesten worden ook aangeroepen tijdens uitdrijvingen en rituelen, die lijken gebruiken die zijn doorgegeven uit de pre-boeddhistische inheemse tijden. In 2007 waren er ongeveer 6.000 boeddhistische kloosters op Sri Lanka met ongeveer 30.000 monniken.

Pre-modern Geschiedenis

De Theravāda ("Ouderlingen") is een tak van de Vibhajjavāda ("Doctrine van Analyse", "de analisten"), die een afdeling was van de Sthāvira Nikāya, een van de vroege boeddhistische scholen in India. De sthāvira's waren voortgekomen uit het eerste schisma in de boeddhistische gemeenschap. Er is geen overeenstemming tussen moderne historici over de details en datering van dit schisma (zelfs niet of het vóór of na de datum van keizer Ashoka was: 304–232 v.Chr.). Het is opmerkelijk dat Ashokan-inscripties niet verwijzen naar deze raad of het schisma.

Volgens Theravāda-bronnen handhaaft de Theravāda-school de Vibhajjavāda-doctrines die werden overeengekomen tijdens het vermeende derde boeddhistische concilie dat rond 250 voor Christus werd gehouden onder de bescherming van Ashoka en onder leiding van de oudere Moggaliputta-Tissa. Een verslag van hun leerstellige positie is bewaard gebleven in de Kathavatthu ("Punten van controverse"), een weerlegging van verschillende tegengestelde opvattingen van verschillende scholen in die tijd.

De Vibhajjavādins, gevoed door Mauryan patronage (zoals te zien is in Ashoka's edicten), verspreidden zich over Zuid-Azië en vormden verschillende groepen en gemeenschappen. In Zuid-India hadden ze een invloedrijk centrum in Avanti, maar ze waren ook actief in Andhra, Vanavasa (in het moderne Karnataka ), Amaravati en Nagarjunakonda. Toen ze zich vestigden in Sri Lanka (in Anuradhapura), begonnen ze ook bekend te worden als de Tambapaṇiya, de naam verwijst naar een rood-koperachtige kleur. De naam Tāmraparṇi werd ook een naam voor Sri Lanka zelf.

Introductie van het boeddhisme op het eiland

Verspreiding van het Boeddhisme van India naar oa Sri-Lanka
Rotsklooster in Sigirya

Volgens traditionele Sri Lankaanse kronieken zoals de Mahavamsa en de Dipavamsa, werd het boeddhisme op het eiland geïntroduceerd in de derde eeuw voor Christus na het derde boeddhistische concilie door de oudere Mahinda en door de oudere non Sangamitta. Volgens de Singalees-kronieken waren beiden kinderen van keizer Ashoka.

Volgens de Mahavamsa kwamen ze in Sri Lanka aan tijdens het bewind van Devanampiya Tissa van Anuradhapura (307–267 voor Christus) die zich bekeerde tot het boeddhisme en hielp bij de opbouw van de eerste boeddhistische stoepa's en gemeenschappen. Tissa schonk een koninklijk park in de stad aan de boeddhistische gemeenschap, wat het begin was van de Mahāvihāra- traditie. Mahinda wordt geassocieerd met de site van Mihintale, een van de oudste boeddhistische sites in Sri Lanka. Mihintale omvat talloze grotten die mogelijk zijn gebruikt door de vroege Sri Lankaanse sangha.

Volgens SD Bandaranayake werd de verspreiding van het boeddhisme in deze periode zowel door de staat als door leken gepromoot. Hoewel er weinig artistieke of architecturale overblijfselen zijn uit deze beginperiode, zijn er boeddhistische grotten die bewaard zijn gebleven en die talrijke Brahmi-inscripties bevatten die geschenken aan de sangha door huisbewoners en leiders vastleggen. Bandaranayake stelt dat de religie tijdens het bewind van Dutthagamani en Vattagamani (ca. midden 2de eeuw v.Chr. Tot midden 1ste eeuw v.Chr.) "Onbetwiste autoriteit" schijnt te hebben verworven. KM de Silva stelt dat het boeddhisme in de eerste eeuw voor Christus 'goed ingeburgerd was in de belangrijkste nederzettingen'. De Silva merkt ook op dat aangezien het boeddhisme werd overgenomen door de Singalezen, het pre-boeddhistische culten, rituelen en ceremonies assimileerde. Het boeddhisme werd een krachtige factor in de eenwording van Sri Lankaans onder een enkele politieke macht met een verenigde cultuur.

De Mahavamsa vermeldt dat tijdens de heerschappij van de Grieks-Bactrische koning Menander I (165/155 - 130 v.Chr.), Een Yona (Griekse) hoofdmonnik genaamd Mahadharmaraksita 30.000 boeddhistische monniken leidde uit "de stad Alasandra in Yona". (Alexandrië in de Kaukasus , ongeveer 150 kilometer (93 mijl) ten noorden van het huidige Kabul, Afghanistan) naar Sri Lanka voor de inwijding van de Ruwanwelisaya Stupa in Anuradhapura . Dit gebeurde tijdens het bewind van de Singalees koning Dutthagamani(161 v.Chr. Tot 137 v.Chr.), Die de eerste was die de verschillende Sri Lankaanse staten op het eiland echt tot één staat verenigde door de Tamils ​​te verslaan die het noorden hadden veroverd.

Theravāda in het Anuradhapura-koninkrijk

Boeddhabeelden in Polonnaruwa

De cultuur, wetten en regering van het Anuradhapura-koninkrijk (evenals die van de kleinere Singalees-koninkrijken die er meestal ondergeschikt waren) werden sterk beïnvloed door het boeddhisme. Gedurende een groot deel van de vroege geschiedenis van het Anuradhapura-boeddhisme waren er drie onderverdelingen van Theravāda, bestaande uit de Mahāvihāra- , Abhayagiri- en Jetavana- sekten. Alle drie waren gebaseerd in Anuradhapura, de grote en dichtbevolkte hoofdstad van de oude Singalese koningen, die zichzelf zagen als de verdedigers en aanhangers van het boeddhisme.

De Mahāvihāra was de eerste traditie die werd opgericht, terwijl Abhayagiri Vihāra en Jetavana Vihāra werden opgericht door monniken die zich hadden losgemaakt van Mahāvihāra en meer open stonden voor Mahayana. Volgens AK Warder vestigde de Indiase Mahīśāsaka- sekte zich ook in Sri Lanka naast de Theravāda, waarin ze later werden opgenomen. [21] De noordelijke regio's van Sri Lanka lijken op bepaalde tijden ook te zijn afgestaan ​​aan sekten uit India. Abhayagiri Theravādins onderhield door de eeuwen heen nauwe relaties met Indiase boeddhisten en nam veel van de leringen van laatstgenoemden over, waaronder veel Mahāyāna-elementen, terwijl Jetavana Theravādins in mindere mate Mahāyāna adopteerde. De Mahāvihāra-traditie beschouwde intussen veel van de Mahāyāna-leerstellingen, zoals Lokottaravāda ('transcendentalisme'), als ketters en beschouwde de Mahāyāna-soetra's als vervalste geschriften.

Religieus debat en conflicten tussen deze sekten was ook niet ongebruikelijk, vooral vanwege de nauwe relatie tussen de sangha en Singalese heersers die leidden tot concurrentie voor koninklijk beschermheerschap, hoewel de meeste heersers alle sekten steunden. Tijdens de regering van Voharika Tissa (209-31 n.Chr.) Overtuigde de Mahāvihāra-traditie de koning ervan de Mahāyān-leringen te onderdrukken, die zij als onverenigbaar met de ware leer beschouwden.

De rollen werden omgedraaid tijdens het bewind van koning Mahasena (277 tot 304 CE), die werd gekenmerkt door zijn steun aan het Mahāyāna-boeddhisme en onderdrukking van de Mahāvihāra, die weigerden zich tot Mahāyāna te bekeren. Mahasena ging zelfs zo ver dat hij enkele gebouwen van het Mahāvihāra-complex vernietigde om Abhayagiri en een nieuw klooster, de Jetavana, op te bouwen. Hierdoor kwam Abhiyagiri naar voren als de grootste en meest invloedrijke boeddhistische traditie op het eiland, en de Mahāvihāra-traditie zou haar dominante positie niet herwinnen tot de Polonnaruwa periode in 1055.

Tijdens het bewind van Kithsirimevan (301–328 n.Chr.) Brachten Sudatta, de onderkoning van Kalinga, en Hemamala het tandrelikwie van de Boeddha naar Sri Lanka. Kithsirimevan legde het relikwie vast en gaf opdracht om jaarlijks een processie te houden ter ere ervan. Het tandrelikwie van Gautama de Boeddha werd al snel een van de heiligste voorwerpen in het land en een symbool van het Sinhala- boeddhistische koningschap. Het werd gehuisvest en gepromoot door de Abhayagiri-traditie.

Toen de Chinese monnik Faxian het eiland in het begin van de 5e eeuw bezocht, merkte hij 5000 monniken op in Abhayagiri, 3000 in de Mahāvihāra en 2000 in Cetiyapabbatavihāra. Faxian verkreeg ook een Sanskriet-kopie van de Vinaya van de Mahīśāsaka aan de Abhayagiri vihāra (ca. 406). Dit werd vervolgens in het Chinees vertaald en is nog steeds aanwezig in de Chinese boeddhistische canon als Taishō Tripiṭaka 1421.

Het belangrijkste architectonische kenmerk van het Sri Lankaanse boeddhisme in deze tijd was de koepelvormige stoepa, die boeddhistische relikwieën verankerde en objecten van verering waren. In Anuradhapura waren de vijf belangrijkste stoepa's: de Thuparama (onderdeel van het Mahāvihāra-complex), de Mirisavati , de Ruvanvalisaya (ook bekend als de Mahastupa), de Abhayagiri en de Jetavana (de grootste stoepa in de hoofdstad, en waarschijnlijk de grootste in de boeddhistische wereld ten tijde van de bouw).

Het is bekend dat in de 8e eeuw zowel Mahāyāna als de esoterische Vajrayāna- vorm van het boeddhisme in Sri Lanka werden beoefend, en twee Indiase monniken die verantwoordelijk waren voor het verspreiden van het esoterische boeddhisme in China, Vajrabodhi en Amoghavajra , bezochten het eiland gedurende deze tijd.

Abhayagiri bleef een invloedrijk centrum voor de studie van Theravāda Mahāyāna en Vajrayāna-denken vanaf de regering van Gajabahu I tot de 12e eeuw. Het zag verschillende belangrijke boeddhistische geleerden aan het werk in zowel het Sanskriet als Pāli. Deze omvatten (mogelijk) Upatissa (die de Vimuttimagga schreef ), Kavicakravarti Ananda (auteur van de Saddhammopåyana ), Aryadeva , Aryasura en de tantrische meesters Jayabhadra en Candramåli.

Ontwikkeling van de tekstuele traditie van Theravāda

Sri Lankaanse boeddhisten bewaarden aanvankelijk de boeddhistische geschriften (de tipitaka ) mondeling, maar volgens de Mahavamsa leidden hongersnood en oorlog tijdens de eerste eeuw voor Christus tot het opschrijven van deze geschriften om ze te bewaren. De plaats van deze gebeurtenis was bij de Aluvihāra-tempel. Volgens Richard Gombrich is dit "het vroegste verslag dat we hebben van boeddhistische geschriften die overal worden geschreven".

De overgebleven Pāli-teksten zijn allemaal afkomstig uit de Mahāvihāra-traditie. Terwijl de andere tradities zoals Abhayagiri ongetwijfeld hun eigen productieve literatuur hadden, is niets van hun werk bewaard gebleven in Pali.

Theravāda-boeddhisten ontwikkelden ook een reeks schriftuurlijke commentaren (de Atthakatha genaamd). De Theravāda-traditie stelt dat er zelfs tijdens Mahinda's vroege dagen een traditie van Indiase commentaren op de geschriften bestond. Er waren ook verschillende commentaren op de Tipitaka, geschreven in het Singalees , zoals de Maha-atthakatha ("Groot commentaar"), de belangrijkste commentaartraditie van de Mahavihara-monniken, die nu verloren is gegaan. Verder waren er ook Singalees-teksten die werden geschreven om de Pali-boeddhistische leerstellingen te vertalen en uit te leggen aan degenen die geen kennis hadden van Pali. De Singalees-taal ontwikkelde zich dus tijdens de Anuradhapura-periode onder invloed van Pali (evenals Sanskriet en Tamil).

Als resultaat van het werk van latere Zuid-Indiase geleerden die werden geassocieerd met de Mahāvihāra, voornamelijk Buddhaghosa (4e – 5e eeuw CE), Dhammapala en Buddhadatta , namen Sri Lankaanse boeddhisten Pali over als hun belangrijkste scholastieke taal. Door deze invoering van een lingua franca kon de Sri Lankaanse traditie internationaler worden, waardoor de banden met de gemeenschap in Zuid-India en Zuidoost-Azië gemakkelijker werden.

Deze Mahāvihāra Theravāda-monniken produceerden ook nieuwe Pāli-literatuur, zoals historische kronieken, hagiografieën, oefenhandleidingen, samenvattingen, leerboeken, poëzie en Abhidhamma- teksten. Buddhaghosa's werk over Abhidhamma en boeddhistische praktijken, zoals zijn Visuddhimagga , blijven de meest invloedrijke teksten van de moderne Theravāda-traditie, afgezien van de Pāli Canon.

Oorlogvoering, achteruitgang en herstel van de sangha

De Sigiriya ("Leeuwenrots"), een rotsfort en een stad, gebouwd door koning Kashyapa (477 - 495 n.Chr.) Als een nieuwe, meer verdedigbare hoofdstad. Het werd ook gebruikt als een boeddhistisch klooster nadat de hoofdstad was teruggebracht naar Anuradhapura. Vanaf de 5e eeuw (na de dood van Mahanama in 428 CE) tot de elfde eeuw zag het eiland Sri Lanka de verzwakking van het koninklijk gezag van Anuradhapura, voortdurende oorlogvoering tussen Singalees koningen, pretenders en buitenlandse indringers uit Zuid-Indiase dynastieën (de Cholas , Pallavas en Pandyas ). Deze Zuid-Indiase dynastieën waren sterk hindoeïstisch en probeerden vaak de boeddhistische invloed te elimineren. Na verloop van tijd werd het Zuid-Indiase boeddhisme weggevaagd, en dit verbrak een belangrijke culturele band tussen Sri Lanka en Zuid-India.

In dit tijdperk van conflict werden boeddhistische kloosters geplunderd en werd de situatie vaak moeilijk voor het boeddhisme. Ondanks de instabiliteit zag dit tijdperk echter ook de uitbreiding van de boeddhistische cultuur, kunst en architectuur. In de 9e eeuw waren boeddhistische kloosters machtige instellingen die eigendom, land, landgoederen en irrigatiewerken bezaten. Ze hadden deze landgoederen gekregen van koningen en hadden ze over het algemeen voor altijd in handen. Boeddhistische kloosters in deze fase van de Sri Lankaanse geschiedenis waren in feite zelfvoorzienende economische eenheden die werden beschermd door de Singalees koningen. Deze boeddhistische instellingen werden ook vaak geplunderd in tijden van interne strijd door Singalees heersers die onderling beconcurreerden, zoals tijdens het bewind vanDathopatissa I (639-650) en Kashyapa II (650-659).

Tussen de regeringen van Sena I (833-853) en Mahinda IV (956-972), zag de stad Anuradhapura een "kolossale bouwinspanning" door verschillende koningen tijdens een periode van vrede en welvaart, het grootste deel van de huidige architectonische overblijfselen in deze stad dateren uit deze periode. Dit werd echter gevolgd door de invasie en verovering van het hart van Anuradhapura door het Chola-rijk ( tussen 993 en 1077 ), een oorlog die Anuradhapura verwoestte en een einde maakte aan het koninkrijk.

De Polonnaruva tijdperk

De Sinhalas in het zuiden van het eiland (voornamelijk het koninkrijk Rohana) bleven weerstand bieden en het eiland werd volledig heroverd door Vijayabahu I (1055-1110) door 1070 die het koninkrijk Polonnaruva stichtte. De toestand van het Sri Lankaans boeddhisme was in die tijd zo slecht dat hij op het hele eiland geen vijf monniken kon vinden om nog meer monniken te wijden en de monastieke traditie te herstellen; daarom stuurde hij een ambassade naar Birma , die verschillende vooraanstaande oudsten met boeddhistische teksten terugstuurde. Vijayabahu staat ook bekend om het bouwen van de Tempel van de Tand.

De volgende invloedrijke figuur in het Singalees boeddhisme was Parākramabāhu I (1153-1186) die het eiland verenigde en de Sri Lankaanse boeddhistische sangha wilde hervormen. De Silva merkt op dat deze belangrijke hervormingsgebeurtenis traditioneel werd gezien als de triomf van de Mahāvihāra en de onderdrukking van de andere scholen, maar dat "recent onderzoek heeft aangetoond dat dit nogal onnauwkeurig is". Alle boeddhistische instellingen waren ernstig beschadigd door de hindoe-cholas, en de drie belangrijkste tradities waren gefragmenteerd in acht broederschappen. Parākramabāhu verenigde deze allemaal tot een gemeenschappelijke gemeenschap, die door de Mahāvihāra leek te zijn gedomineerd, maar die de sektarische concurrentie niet volledig stopte.

Parākramabāhu schijnt de sangha te hebben gezien als verdeeld, corrupt en behoefte aan hervorming, vooral de Abhayagiri. De Cūḷavaṁsa stelt dat boeddhistische kloostergemeenschappen in deze tijd veel conflicten hadden. Deze kroniek beweert ook dat veel monniken in de Sri Lankaanse sangha zelfs waren begonnen te trouwen en kinderen hadden gekregen, en zich meer gedroegen als lekenvolgelingen dan als kloosterlingen. Parākramabāhu's belangrijkste monastieke leider in deze hervormingen was Mahathera Kassapa, een ervaren monnik die goed thuis was in de Sutta's en Vinaya. Volgens sommige bronnen werden sommige monniken ontslagen en kregen ze de keuze om ofwel terug te keren naar de leken, ofwel een poging tot herordinatie onder de nieuwe verenigde Theravāda-traditie als 'novicen' (Sāmaṇera).

Parākramabāhu I staat ook bekend om het herbouwen van de oude steden Anuradhapura en Polonnaruwa , het herstellen van boeddhistische stoepa's en Vihara's (kloosters). Hij benoemde een sangharaja , of "koning van de sangha", een monnik die de sangha en zijn wijdingen in Sri Lanka zou voorzitten, bijgestaan ​​door twee afgevaardigden.

Volgens Alastair Gornall zag de periode tussen de 10e en 13e eeuw een enorme explosie in de samenstelling van Pali-literatuur. Een deel van de impuls achter deze literaire inspanningen was de angst dat de Indiase invasies en verschillende oorlogen op het eiland zouden kunnen leiden tot het verval van het boeddhisme. Om dit te voorkomen, probeerden Pali-auteurs uit het hervormingstijdperk werken te schrijven die de essentie (sara) van de leer van de Boeddha zouden beschermen.

Deze literatuur omvat het werk van vooraanstaande geleerden zoals Anuruddha, Sumangala, Siddhattha, Sāriputta Thera , Mahākassapa van Dimbulagala en Moggallana Thera. Ze werkten aan het samenstellen van subcommentaar bij de Tipitaka, grammatica's, samenvattingen en leerboeken over Abhidhamma en Vinaya, zoals de invloedrijke Abhidhammattha-sangaha van Anuruddha. Ze schreven ook Pali-poëzie in kavya- stijl en filologische werken. Hun werk was grotendeels te danken aan de invloed van het Sanskrietgrammatica en poëzie, in het bijzonder zoals geïnterpreteerd door de Sri Lankaanse geleerde Ratnamati. Tijdens deze periode tonen deze nieuwe Pali-leerstellige werken ook een toenemend bewustzijn van onderwerpen die in de Sanskriet-boeddhistische Mahayana-literatuur voorkomen.

Tijdens het Polonnaruva-tijdperk zag Theravāda ook de toenemende populariteit van ārannavāsin (bosbewoner) monniken, die bekendheid verwierven in de wetenschap en de leiding namen in hervormingsbewegingen.

Toen de nieuwe Mahāvihāra Theravāda-school dominant werd in Sri Lanka, verspreidde deze zich geleidelijk over het vasteland van Zuidoost-Azië. Theravāda vestigde zich in Myanmar aan het einde van de 11e eeuw, in Thailand in de 13e en vroege 14e eeuw, en in Cambodja en Laos tegen het einde van de 14e eeuw. Hoewel Mahavihara andere scholen in Zuidoost-Azië nooit volledig heeft vervangen, ontving het bij de meeste koninklijke hoven speciale gunst. Dit is te danken aan de steun die het kreeg van lokale elites, die een zeer sterke religieuze en sociale invloed uitoefenden.

Fragmentatie en verval

Yapahuwa, een van de Sinhala- rotsforten van deze tijd. Koning Bhuvenakabahu vluchtte hier in 1272 met het tandrelikwie om aan indringers te ontsnappen. Het werd later verlaten en werd een thuis voor boeddhistische monniken. Na de dood van Parākramabāhu I viel zijn rijk uiteen in strijdende partijen, en Zuid-Indiase indringers hervatten hun aanvallen op het eiland, wat uiteindelijk leidde tot de snelle ondergang van het Polonnaruva-koninkrijk. Er was een korte periode van wederopbouw onder Nissanka Malla , die de bouw promootte van grote boeddhistische centra in Nissanka Latha Mandapaya , Rankoth Vihara en Hatadage.

Het koninkrijk bleef echter achteruitgaan onder de aanvallen van Zuid-Indiase staten. De laatste Sinhala-koning die vanuit Polonnaruva regeerde was Parākramabāhu III (1302-1310), die eigenlijk een klantkoning van de Pandya's was en zich later moest terugtrekken in Dambadeniya . Hierna werden Singalees-koningen gedwongen zich verder naar het zuiden terug te trekken (naar steden als Kurunagala en Gampola ), voornamelijk op zoek naar veiligheid vanuit Zuid-Indiase staten en vanuit het uitgestrekte Tamil- koninkrijk Jaffna (een hindoeïstisch rijk dat nu het noorden beheerste). ten westen van het eiland).

Deze instabiliteit leidde ook tot de teloorgang van de discipline van de sangha. Singalees koningen probeerden verschillende maatregelen om dit verval te stoppen , zoals het zuiveren van de sangha van ongedisciplineerde monniken en de introductie van de post van sangharaja (hoofd van de sangha) onder de Gampola-koningen. Met betrekking tot sektarische verschillen, deze waren grotendeels uitgewerkt op dit moment in de tijd, met de adoptie van enkele Mahayana (evenals hindoeïstische) goden en de rituelen van de andere sekten in de Theravada orthodoy. De cultus van het tandrelikwie behield bijvoorbeeld zijn belang. Ondanks alle instabiliteit werd Sri Lanka door boeddhisten in Zuidoost-Azië gezien als een nieuw heilig land, omdat het relikwieën van de Boeddha bevatte die toegankelijk waren, in tegenstelling tot India waar het boeddhisme en de mosliminvasies waren verdwenen.

Deze periode van de Dambadeniya-koningen zag ook een bloei van religieuze poëzie, zoals de Kavsilumina , geschreven door koning Parākramabāhu II in mahakavya- stijl en de Saddharma Ratnavaliya (die verhalen over het Dhammapada-commentaar navertelt).

De invloed van Mahāyāna

Singalese boeddhistische monniken

De verering van Avalokiteśvara (Lokeshwara Natha) is tot op de dag van vandaag voortgezet in Sri Lanka, waar hij Nātha wordt genoemd. In recentere tijden hebben enkele westers opgeleide Theravādins geprobeerd Nātha met Maitreya te identificeren . Echter, tradities en fundamentele iconografie, inclusief een afbeelding van Amitābha op zijn kroon, identificeren Nātha als Avalokiteśvara.

Alleen al uit sculpturaal bewijs blijkt dat het Mahāyāna tamelijk wijdverspreid was in heel Sri Lanka, hoewel het moderne verslag van de geschiedenis van het boeddhisme op het eiland een ononderbroken en zuivere lijn van Theravāda laat zien. (Men kan alleen maar aannemen dat soortgelijke trends werden overgedragen naar andere delen van Zuidoost-Azië met Sri Lankaanse wijdingslijnen.) Overblijfselen van een uitgebreide cultus van Avalokiteśvara zijn te zien in de huidige figuur van Nātha.

Koningen van Sri Lanka werden vaak beschreven als bodhisattva's , die minstens zo vroeg begonnen als Sirisanghabodhi (reg. 247–249), die een ' mahāsatta ' ('groot wezen', Sanskriet mahāsattva ) werd genoemd, een bijnaam die bijna uitsluitend in het Mahayana wordt gebruikt. Veel andere Sri Lankaanse koningen van de 3e tot de 15e eeuw werden ook beschreven als bodhisattva's en hun koninklijke plichten werden soms duidelijk geassocieerd met de beoefening van de tien pāramitā's. In sommige gevallen beweerden ze expliciet voorspellingen van Boeddhaschap in vorige levens te hebben ontvangen.

Modern tijdperk

vroege Kolonialisme

Tijdens het begin van de 16e eeuw was Sri Lanka gefragmenteerd in verschillende kleine staatsbesturen. Het Portugese rijk maakte hiervan gebruik en vestigde Colombo als een manier om de kaneelhandel te beheersen . De Portugezen raakten betrokken bij verschillende oorlogen met deze koninkrijken. Tussen 1597 en 1658 kwam een ​​aanzienlijk deel van het eiland onder Portugees bestuur , hoewel hun controle nogal zwak was en vatbaar voor rebellie. Alleen het koninkrijk Kandy behield zijn onafhankelijkheid.

De Portugezen probeerden het katholicisme op het eiland te introduceren , en in hun oorlogen met de Singalezen verwoestten ze vaak boeddhistische kloosters of droegen ze deze over aan katholieke ordes. Vanaf de 16e eeuw probeerden christelijke missionarissen de lokale bevolking tot het christendom te bekeren. Niet-christelijke religies werden onderdrukt en vervolgd, terwijl christenen een voorkeursbehandeling kregen. In de loop van de tijd ontwikkelde zich een christelijke minderheid op het eiland. Deze door oorlog verscheurde periode verzwakte de boeddhistische sangha zo erg dat in 1592 Vimaladharmasuriya I van Kandyzocht hulp bij Birma om boeddhistische monniken te wijden, aangezien er nauwelijks een enkele behoorlijk gewijde monnik over was.

Van 1612 tot 1658 vochten de Nederlanders en de Portugezen om het eiland, en Kandy koos de kant van de Nederlanders. De Nederlanders veroverden en bezetten de meeste kustgebieden van het eiland (Nederlands Ceylon, 1640–1796), terwijl het koninkrijk Kandy het binnenland behield. De Nederlanders waren minder ijverig dan de Portugezen in hun religieuze bekering, hoewel ze nog steeds niet-christenen (evenals katholieken) discrimineerden. Niet-protestantse eredienst was in sommige steden ook niet toegestaan, en boeddhistische tempeleigenschappen die door de Portugezen in beslag waren genomen, werden niet teruggegeven.

In het Kandyan-koninkrijk in het binnenland bleef het boeddhisme de staatsgodsdienst. Kandyan-heersers bleven boeddhistische instellingen betuttelen zoals de oude Singalees-koningen hadden gedaan, en zij bleven de controle over het tandrelikwie. Gedurende een groot deel van de 18e eeuw bevond de sangha zich echter in een verzwakte staat, waarbij de wijdingslijn verbroken was. De boeddhistische "priesters" van het koninkrijk misten de juiste wijdingsriten (er zijn ten minste 5 volledig gewijde monniken nodig om een ​​nieuwe monnik volledig te wijden). Deze boeddhistische religieuze figuren die niet echt echte monniken waren (" monniken "), maar een soortgelijke rol speelden als traditionele monniken, werden ganinnanses genoemd.Kandyan-koningen probeerden de wijdingslijn te herstellen door hun religieuze banden met het Birmese boeddhisme, maar deze waren niet erg succesvol.

De meest succesvolle poging om de sangha nieuw leven in te blazen werd geleid door Weliwita Sri Saranankara Thero (1698–1778), die de hogere wijding op het eiland herstelde door monniken uit Thailand uit te nodigen (en aldus de moderne Siam Nikaya oprichtte die tot op de dag van vandaag overleeft). Met de steun van de Kandyan-koning Kirti Sri Rajasinha , werkte Weliwita ook om het primaat van het boeddhistische ritueel vast te stellen, en de moderne vorm van het Festival of the Tooth Relic dateert uit deze tijd. Het was ook tijdens deze periode dat Kirti Sri Rajasinha een decreet uitvaardigde waarin stond dat alleen die van de govigamakaste kon toetreden tot de Siam Nikaya, en die niet-govigama monniken die wel bestonden, werden verbannen of mochten niet deelnemen aan hogere wijding.

Tijdens de regering van Kirti Sri Rajasinha (1747-1782) en Rajadhi Rajasinha (1782-1798) werden ook veel boeddhistische tempels gerestaureerd die in eerdere oorlogen waren verwoest door de bouw van nieuwe tempels (met name in en rond Kandy, zoals Malvatta , Gangarama en Degaldoruva).

Britse overheersing

In 1795-1796 kwamen de Nederlandse gebieden in Sri Lanka onder controle van de Britse Oost-Indische Compagnie. In 1815 veroverde een Brits leger een politiek verdeeld Kandy en zette de Singalese koning af. De Britten behielden Sri Lanka tot 1948 (hoewel het tot 1972 een heerschappij bleef). Het oorspronkelijke overleveringsverdrag, de Kandyan-conventie, stelde dat de boeddhistische religie zou worden beschermd en gehandhaafd.

De eerste helft van de 19e eeuw zag de vorming van een nieuwe kloosterbroederschap, de Amarapura Nikaya , door monniken en zouden monniken zijn van niet-govigama-kasten. Ze reisden in het eerste decennium van de 19e eeuw naar Birma om een ​​nieuwe wijding terug te brengen die niet door kaste zou worden beperkt. Deze nieuwe kloosterorde bloeide in de kustgebieden buiten Kandy en maakte zelfs vorderingen op het grondgebied van Kandyan.

Hoewel de Britse regering een voorkeur had voor christenen, stonden ze niet openlijk vijandig tegenover het boeddhisme, uit angst dat religieuze controverses politieke onrust zouden kunnen veroorzaken. Tijdens de eerste twee decennia van de Britse overheersing was er geen officiële Britse steun voor christelijke zendingsverenigingen. Aan hun eigen middelen overgelaten, boekten de inspanningen van deze zendingsorganisaties hun vooruitgang bij het bekeren van de bevolking, hoewel ze wel groeiden. Hun activiteiten waren ook zeer beperkt in de Kandyan-regio's. Vanaf het begin gebruikten de missies onderwijs als evangelisatiemiddel. Onderwijs op deze scholen (die het boeddhisme in diskrediet brachten) was een vereiste voor het regeringsambt. Christelijke missionarissen schreven ook traktaten in het Singalees waarin ze het boeddhisme aanvielen en het christendom promootten.

Na de jaren 1830 was er een periode waarin de Britten het christelijke zendingswerk veel actiever steunden. Dit was voornamelijk te danken aan de invloed van pro-missionaire politici zoals Lord Glenelg en gouverneur Stewart Mackenzie (1837-1841), maar ook aan de agitatie van missionaire instanties zelf. Gedurende deze periode hadden de missionaire organisaties de overheersende invloed op het onderwijs, en men geloofde dat onderwijs in de eerste plaats gericht moest zijn op het bekeren van de lokale elites. Ook gedurende deze tijd werd de officiële associatie van de staat met het boeddhisme verbroken, ondanks een volksopstand in 1848. De opstand zorgde er echter voor dat de Britse regering veel conservatiever werd op het gebied van religie en sociale verandering, en in de tweede helft van de 19e eeuw trok ze zich terug van haar steun aan missionaire inspanningen waarvan ze dachten dat ze de Singalezen boos zouden maken.

de boeddhistische opleving

In de tweede helft van de 19e eeuw begon een nationale boeddhistische opwekkingsbeweging als reactie op christelijke missionarissen en het Britse kolonialisme. Deze beweging werd gesterkt door de resultaten van verschillende openbare debatten tussen christelijke priesters en boeddhistische monniken zoals Migettuwatte Gunananda Thera en Hikkaduwe Sri Sumangala Thera . De vijf grote openbare debatten met protestantse missionarissen werden gehouden in 1865 (de Baddegama- en Waragoda-debatten), 1866 (Udanwita-debat), 1871 (Gampola-debat) en 1873 (Panadura-debat). Onderwerpen van de debatten waren onder meer God, de ziel, de opstanding, karma, wedergeboorte, nirvana en het principe van afhankelijke oorsprong. Een van deze debatten, de beroemde " Panaduradebat "van 1873 werd algemeen gezien als een overwinning voor Gunananda Thera.

De Britse regering, die religieuze conflicten moe was, probeerde in deze tijd grotendeels een politiek van religieuze neutraliteit te voeren. Gedurende deze periode vormden boeddhisten samenlevingen (zoals de Society for the Propagation of Buddhism) en leercentra ( Vidyodaya Pirivena en Vidyalankara Pirivena ) om het boeddhisme te promoten en boeddhistische literatuur te drukken. Er werd ook een nieuwe kloosterbroederschap gevormd, de Ramanna Nikaya (die zich afsplitste van de Amarapura Nikaya), die de nadruk legde op monastieke discipline. In feite werd de opwekkingsbeweging voornamelijk geleid door deze twee Nikaya's, en de Siam Nikaya in Kandy bleef grotendeels niet betrokken.

Ontwikkeling boeddhisme 1881 tot 2001

Boeddhisme verdeeld per regio
Jaartal vd volkstelling boeddhisten
aantal %
1881 1.698.100 61,5%
1891 1.877.000 62,4%
1901 2.141.400 60,1%
1911 2.474.200 60,3%
1921 2.769.800 61,6%
1931 3.266.600 61,6%
1946 4.294.900 64,5%
1953 5.209.400 64,3%
1963 7.003.300 66,2%
1971 8.536.800 67,3%
1981 10.288.300 69,3%

Zie ook