Mahayana boeddhisme: verschil tussen versies

8.579 bytes verwijderd ,  27 nov 2022 10:40
geen bewerkingssamenvatting
Geen bewerkingssamenvatting
Geen bewerkingssamenvatting
Regel 2: Regel 2:
'''Mahāyāna''' ("Grote voertuig") is een term voor een brede groep [[Stromingen binnen het boeddhisme|boeddhistische tradities]], teksten , filosofieën en praktijken. Het Mahāyāna-boeddhisme ontwikkelde zich in India (ca. 1e eeuw v.Chr.) en wordt beschouwd als een van de drie belangrijkste bestaande takken van het [[boeddhisme]];  
'''Mahāyāna''' ("Grote voertuig") is een term voor een brede groep [[Stromingen binnen het boeddhisme|boeddhistische tradities]], teksten , filosofieën en praktijken. Het Mahāyāna-boeddhisme ontwikkelde zich in India (ca. 1e eeuw v.Chr.) en wordt beschouwd als een van de drie belangrijkste bestaande takken van het [[boeddhisme]];  


* 5% Overige stromingen
* 6% [[Tibetaans boeddhisme|Vajrayāna/Tibetaans boeddhisme]]
* 6% [[Tibetaans boeddhisme|Vajrayāna/Tibetaans boeddhisme]]
* 5% Overige stromingen
* 36% [[Theravada]]
* 36% [[Theravada]]
* 53% Mahāyāna boeddhisme  
* 53% Mahāyāna boeddhisme  
Regel 14: Regel 14:
theorie van leegte (śūnyatā) en de Vijñānavāda, de doctrine en de leer van de [[Boeddha-natuur]].
theorie van leegte (śūnyatā) en de Vijñānavāda, de doctrine en de leer van de [[Boeddha-natuur]].


Hoewel het aanvankelijk een kleine beweging in India was, groeide Mahāyāna uiteindelijk uit tot een invloedrijke kracht in het Indiase boeddhisme. Grote scholastieke centra die verband houden met Mahāyāna, zoals [[Rajgir|Nalanda]] en Vikramashila, bloeiden op tussen de zevende en twaalfde eeuw. In de loop van zijn geschiedenis verspreidde het Mahāyāna-boeddhisme zich door Zuid-Azië, Centraal-Azië, Oost-Azië en Zuidoost-Azië. Het blijft invloedrijk vandaag in [[Het boeddhisme in China|China]], [[Het boeddhisme in Mongolie|Mongolië]], [[Het boeddhisme in Hong-Kong|Hong-Kong,[[Het boeddhisme in Korea|Korea|, [[Het boeddhisme in Japan|Japan]], [[Het boeddhisme in Singapore|Singapore, [[Het boeddhisme in Vietnam|Vietnam]], [[Het boeddhisme in Nepal|Nepal]], [[Het boeddhisme in Maleisie|Maleisië]], [[Het boeddhisme in Taiwan|Taiwam]] en [[Het boeddhisme in Bhutan|Bhutan]].
Hoewel het aanvankelijk een kleine beweging in India was, groeide Mahāyāna uiteindelijk uit tot een invloedrijke kracht in het Indiase boeddhisme. Grote scholastieke centra die verband houden met Mahāyāna, zoals [[Rajgir|Nalanda]] en Vikramashila, bloeiden op tussen de zevende en twaalfde eeuw. In de loop van zijn geschiedenis verspreidde het Mahāyāna-boeddhisme zich door Zuid-Azië, Centraal-Azië, Oost-Azië en Zuidoost-Azië. Het blijft invloedrijk vandaag in [[Het Boeddhisme in China|China]], [[Het Boeddhisme in Mongolie|Mongolië]], [[Het Boeddhisme in Hong-Kong|Hong-Kong]], [[Het Boeddhisme in Korea|Korea]], [[Het Boeddhisme in Japan|Japan]], [[Het Boeddhisme in Singapore|Singapore]], [[Het Boeddhisme in Vietnam|Vietnam]], [[Het Boeddhisme in Nepal|Nepal]], [[Het Boeddhisme in Maleisie|Maleisië]], [[Het Boeddhisme in Taiwan|Taiwam]] en [[Het Boeddhisme in Bhutan|Bhutan]].


==Het grote voertuig==
==Het grote voertuig==
Regel 25: Regel 25:
Het vroegste tekstuele bewijs van "Mahāyāna" komt uit sūtra's die hun oorsprong vonden rond het begin van de Christelijk jaartelling. Enkele belangrijke bewijzen voor het vroege Mahāyāna-boeddhisme komen uit de teksten die zijn vertaald door de Indoscythische monnik Lokakṣema in de 2e eeuw na Christus, die vanuit het koninkrijk Gandhāra naar China kwam. Dit zijn enkele van de vroegst bekende Mahāyāna-teksten. Studie van deze teksten toont aan dat ze het kloosterleven sterk promoten, de legitimiteit van arhatschap erkennen, toewijding aan 'hemelse' bodhisattva 's niet aanbevelen en geen enkele poging tonen om een ​​nieuwe sekte of orde op te richten. Een paar van deze teksten leggen vaak de nadruk op ascetischbeoefeningen, wonen in het bos en diepe staten van [[meditatie|meditatieve]] concentratie (samadhi).
Het vroegste tekstuele bewijs van "Mahāyāna" komt uit sūtra's die hun oorsprong vonden rond het begin van de Christelijk jaartelling. Enkele belangrijke bewijzen voor het vroege Mahāyāna-boeddhisme komen uit de teksten die zijn vertaald door de Indoscythische monnik Lokakṣema in de 2e eeuw na Christus, die vanuit het koninkrijk Gandhāra naar China kwam. Dit zijn enkele van de vroegst bekende Mahāyāna-teksten. Studie van deze teksten toont aan dat ze het kloosterleven sterk promoten, de legitimiteit van arhatschap erkennen, toewijding aan 'hemelse' bodhisattva 's niet aanbevelen en geen enkele poging tonen om een ​​nieuwe sekte of orde op te richten. Een paar van deze teksten leggen vaak de nadruk op ascetischbeoefeningen, wonen in het bos en diepe staten van [[meditatie|meditatieve]] concentratie (samadhi).


In het vroege Mahāyāna was het gebruikelijk dat Mahāyāna- en niet-Mahāyāna [[monniken]] naast elkaar in dezelfde kloosters woonden.  
In het vroege Mahāyāna was het gebruikelijk dat Mahāyāna- en niet-Mahāyāna [[monnik|monniken]] naast elkaar in dezelfde kloosters woonden.  


Ondanks dat het een minderheid was in India, was de Mahāyāna een intellectueel levendige beweging, die verschillende stromingen ontwikkelde tijdens de "De gouden eeuw van de Indiase boeddhistische filosofie" (eerste millennium n.Chr. tot aan de 7e eeuw).  Enkele belangrijke Mahāyāna-tradities zijn Prajñāpāramitā, Mādhyamaka, Yogācāra, Boeddha-natuur (Tathāgatagarbha), en de school van Dignaga en Dharmakirti als de laatste en meest recente. Belangrijke vroege figuren zijn Nagarjuna, Āryadeva, Aśvaghoṣa,Asanga, Vasubandhu en Dignaga. Mahāyāna-boeddhisten schijnen actief te zijn geweest in het Kushan-rijk (30–375 n.Chr.), Een periode waarin boeddhisten grote missionaire en literaire activiteiten uitvoerden.
Ondanks dat het een minderheid was in India, was de Mahāyāna een intellectueel levendige beweging, die verschillende stromingen ontwikkelde tijdens de "De gouden eeuw van de Indiase boeddhistische filosofie" (eerste millennium n.Chr. tot aan de 7e eeuw).  Enkele belangrijke Mahāyāna-tradities zijn Prajñāpāramitā, Mādhyamaka, Yogācāra, Boeddha-natuur (Tathāgatagarbha), en de school van Dignaga en Dharmakirti als de laatste en meest recente. Belangrijke vroege figuren zijn Nagarjuna, Āryadeva, Aśvaghoṣa,Asanga, Vasubandhu en Dignaga. Mahāyāna-boeddhisten schijnen actief te zijn geweest in het Kushan-rijk (30–375 n.Chr.), Een periode waarin boeddhisten grote missionaire en literaire activiteiten uitvoerden.
Regel 94: Regel 94:
===Bekwame middelen en het ene voertuig===  
===Bekwame middelen en het ene voertuig===  


Bekwame middelen of geschikte technieken (Skt. Upāya) is een andere belangrijke deugd en doctrine in het Mahāyāna-boeddhisme. [109] Het idee is het beroemdst uiteengezet in de Witte Lotus Soetra en verwijst naar elke effectieve methode of techniek die bevorderlijk is voor spirituele groei en die wezens naar ontwaken en nirvana leidt . Deze doctrine stelt dat de Boeddha zijn leer aanpast aan degene aan wie hij onderwijst uit mededogen. Hierdoor is het mogelijk dat de Boeddha schijnbaar tegenstrijdige dingen aan verschillende mensen leert. Dit idee wordt ook gebruikt om het uitgebreide tekstcorpus in Mahāyāna uit te leggen. [110]
'Bekwame middelen' is een andere belangrijke deugd en doctrine in het Mahāyāna-boeddhisme. Het idee is het beroemdst uiteengezet in de Witte Lotus Soetra en verwijst naar elke effectieve methode of techniek die bevorderlijk is voor spirituele groei en die wezens naar ontwaken en nirvana leidt. Deze doctrine stelt dat de Boeddha zijn leer aanpast aan degene aan wie hij onderwijst uit mededogen. Hierdoor is het mogelijk dat de Boeddha schijnbaar tegenstrijdige dingen aan verschillende mensen leert. Dit idee wordt ook gebruikt om het uitgebreide tekstcorpus in Mahāyāna uit te leggen.
 
Een nauw verwante leer is de leer van het Ene Voertuig ( ekayāna ). Deze leer stelt dat hoewel de Boeddha drie voertuigen zou hebben onderwezen (het voertuig van de discipelen , het voertuig van de eenzame boeddha's en het bodhisattva-voertuig, die door alle vroege boeddhistische scholen worden aanvaard), dit in feite allemaal bekwame middelen zijn die leiden tot dezelfde plaats: Boeddhaschap. Daarom zijn er niet drie voertuigen in ultieme zin, maar één voertuig, het allerhoogste voertuig van de boeddha's, dat op verschillende manieren wordt onderwezen, afhankelijk van de vermogens van individuen. Zelfs die wezens die denken dat ze het pad (dwz de arhats ) hebben voltooid, zijn in feite nog niet klaar en zullen uiteindelijk het boeddhaschap bereiken. [110]
 
Deze doctrine werd niet volledig aanvaard door alle Mahāyāna-tradities. De Yogācāra-school verdedigde op beroemde wijze een alternatieve theorie die stelde dat niet alle wezens boeddha's konden worden. Dit werd een onderwerp van veel discussie in de geschiedenis van het Mahāyāna-boeddhisme. [111]
 
Prajñāpāramitā (Transcendente Kennis)
 
Prajñāpāramitā wordt in de boeddhistische kunst vaak gepersonifieerd door een vrouwelijke godheid
Enkele van de belangrijkste Mahāyāna-leringen zijn te vinden in de teksten van Prajñāpāramitā ("Transcendente Kennis" of "Perfectie van Wijsheid"), die enkele van de vroegste Mahāyāna-werken zijn. [112] Prajñāpāramitā is een diepe kennis van de werkelijkheid die boeddha's en bodhisattva's verwerven. Het is een transcendente, niet-conceptuele en non-duale vorm van kennis van de ware aard van de dingen. [113] Deze wijsheid wordt ook geassocieerd met inzicht in de leegte ( śūnyatā ) van dharma's (verschijnselen) en hun illusoire aard ( māyā ). [114] Dit komt neer op het idee dat alle verschijnselen ( dharma's) hebben zonder uitzondering 'geen essentiële onveranderlijke kern' (dwz ze missen svabhāva , een essentie of inherente aard), en hebben daarom 'geen fundamenteel werkelijk bestaan'. [115] Deze lege verschijnselen worden ook wel conceptuele constructies genoemd. [116]
 
Hierdoor zijn alle dharma 's (dingen, verschijnselen), zelfs de leer van de Boeddha, de Boeddha zelf, Nirvāṇa en alle levende wezens, als 'illusies' of 'magie' ( māyā ) en 'dromen' ( svapna ). [117] [116] Deze leegte of het ontbreken van werkelijk bestaan ​​is zelfs van toepassing op het schijnbaar ontstaan ​​en verdwijnen van verschijnselen. Daarom worden alle verschijnselen in de Prajñāpāramitā-literatuur ook beschreven als niet-ontstaan ​​( anutpāda ), ongeboren ( ajata ), "voorbij komen en gaan". [118] [119] De bekendste is de Hart Sutrastelt dat "alle verschijnselen leeg zijn, dat wil zeggen zonder karakteristiek, niet-geproduceerd, onophoudelijk, roestvrij, niet roestvrij, onverminderd, ongevuld." [120] De Prajñāpāramitā-teksten gebruiken ook verschillende metaforen om de aard van dingen te beschrijven, de Diamant Sutra vergelijkt verschijnselen bijvoorbeeld met: "Een vallende ster, een vertroebeling van het zicht, een lamp, een illusie, een dauwdruppel, een luchtbel, een droom, een bliksemflits, een donderwolk." [121]
 
Prajñāpāramitā wordt ook geassocieerd met niets in de wereld begrijpen, geen standpunt innemen of 'niet opnemen' ( aparigṛhīta ). De Aṣṭasāhasrikā Prajñāpāramitā Sūtra legt het uit als "niet grijpen naar vorm, niet grijpen naar sensatie, perceptie, wilskracht en cognitie". [122] Dit omvat het niet begrijpen of opnemen van zelfs maar correcte boeddhistische ideeën of mentale tekens (zoals 'niet-zelf', 'leegte', bodhicitta, geloften), aangezien deze dingen uiteindelijk ook allemaal lege concepten zijn. [123] [116]
 
Het bereiken van een staat van onbevreesde ontvankelijkheid ( ksanti ) door het inzicht in de ware aard van de werkelijkheid ( Dharmatā ) op een intuïtieve, niet-conceptuele manier wordt de prajñāpāramitā genoemd, de hoogste spirituele wijsheid. Volgens Edward Conze is de "geduldige aanvaarding van het niet ontstaan ​​van dharma's" ( anutpattika-dharmakshanti ) "een van de meest kenmerkende deugden van de Mahāyānistische heilige". [124] De Prajñāpāramitā-teksten beweren ook dat deze training niet alleen voor Mahāyānisten is, maar voor alle boeddhisten die een van de drie voertuigen volgen. [125]


Madhyamaka (centrisme)
Een nauw verwante leer is de leer van 'het Ene Voertuig'. Deze leer stelt dat hoewel de Boeddha drie voertuigen zou hebben onderwezen:


Een standbeeld van de Mahāyāna-filosoof Nagarjuna , oprichter van de Madhyamaka- school. Door sommigen beschouwd als een Arya (nobele) bodhisattva of zelfs de "tweede Boeddha" [126]
* het voertuig van de discipelen
De Mahāyāna filosofische school genaamd Madhyamaka (middentheorie of centrisme, ook bekend als śūnyavāda, 'de leegtetheorie') werd gesticht door de figuur van Nagarjuna uit de tweede eeuw . Deze filosofische traditie richt zich op het weerleggen van alle theorieën die enige vorm van substantie, inherent bestaan ​​of intrinsieke aard ( svabhāva ) veronderstellen. [127]
* het voertuig van de eenzame boeddha's
* het bodhisattva-voertuig


In zijn geschriften probeert Nagarjuna aan te tonen dat elke theorie van intrinsieke aard wordt tegengesproken door de Boeddha's theorie van afhankelijk ontstaan , aangezien alles wat een onafhankelijk bestaan ​​heeft, niet afhankelijk kan ontstaan. De śūnyavāda- filosofen waren onvermurwbaar dat hun ontkenning van svabhāva geen soort nihilisme is (tegen protesten van het tegendeel door hun tegenstanders). [128]
die door alle vroege boeddhistische scholen worden aanvaard. Daarom zijn er niet drie voertuigen in ultieme zin, maar één voertuig, het allerhoogste voertuig van de boeddha's, dat op verschillende manieren wordt onderwezen, afhankelijk van de vermogens van individuen. Zelfs die wezens die denken dat ze het pad (dwz de arhats) hebben voltooid, zijn in feite nog niet klaar en zullen uiteindelijk het boeddhaschap bereiken.


Met behulp van de theorie van twee waarheden beweert Madhyamaka dat hoewel men kan spreken over dingen die in conventionele, relatieve zin bestaan, ze niet inherent in ultieme zin bestaan. Madhyamaka stelt ook dat leegte zelf ook "leeg" is, het heeft geen absoluut eigen bestaan. Het moet ook niet worden opgevat als een transcendentale absolute werkelijkheid. In plaats daarvan is de leegtetheorie slechts een bruikbaar concept waaraan niet moet worden vastgehouden. In feite, voor Madhyamaka, aangezien alles leeg is van het ware bestaan, zijn alle dingen slechts conceptualisaties ( prajñapti-matra ), inclusief de theorie van leegte, en alle concepten moeten uiteindelijk worden losgelaten om de aard van de dingen echt te begrijpen. [128]
Deze doctrine werd niet volledig aanvaard door alle Mahāyāna-tradities. De Yogācāra-school verdedigde op beroemde wijze een alternatieve theorie die stelde dat niet alle wezens boeddha's konden worden. Dit werd een onderwerp van veel discussie in de geschiedenis van het Mahāyāna-boeddhisme.


Vijñānavāda (de bewustzijnsdoctrine)  
===Prajñāpāramitā (Transcendente Kennis)===
Vijñānavāda ("de leer van het bewustzijn", ook bekend als vijñapti-mātra, "alleen percepties" en citta-mātra "alleen de geest") is een andere belangrijke doctrine die werd gepromoot door sommige Mahāyāna-soetra's die later de centrale theorie werd van een belangrijke filosofische beweging die ontstond tijdens de Gupta-periode genaamd Yogācāra . De primaire soetra die bij deze denkrichting hoort, is de Saṃdhinirmocana Sūtra , die beweert dat śūnyavāda niet de laatste definitieve leer ( nītārtha ) van de Boeddha is. In plaats daarvan wordt gezegd dat de ultieme waarheid ( paramārtha-satya ) de opvatting is dat alle dingen ( dharma's) alleen geest ( citta ), bewustzijn ( vijñāna ) of percepties ( vijñapti ) zijn en dat ogenschijnlijk "externe" objecten (of "interne" onderwerpen) niet echt bestaan ​​los van de afhankelijk voortgekomen stroom van mentale ervaringen. [129]


Wanneer deze stroom van mentaliteit wordt gezien als leeg van de subject-object dualiteit die we eraan opleggen, bereikt men de non-duale kennis van "Aldus" ( tathata ), wat nirvana is. Deze doctrine is ontwikkeld door middel van verschillende theorieën, waarvan de belangrijkste de acht bewustzijnsvormen en de drie naturen zijn . [130] De Saṃdhinirmocana noemt zijn doctrine de ' derde omwenteling van het dharmawiel ' . De Pratyutpanna sutra vermeldt deze doctrine ook en stelt: "wat ook tot deze drievoudige wereld behoort, is niets anders dan gedachte [ citta-mātra]. Waarom is dat? Het is omdat hoe ik me de dingen ook voorstel, ze er zo uitzien". [130]
Enkele van de belangrijkste Mahāyāna-leringen zijn te vinden in de teksten van Prajñāpāramitā ("Transcendente Kennis" of "Perfectie van Wijsheid"), die enkele van de vroegste Mahāyāna-werken zijn. Prajñāpāramitā is een diepe kennis van de werkelijkheid die boeddha's en bodhisattva's verwerven. Het is een transcendente, niet-conceptuele en non-duale vorm van kennis van de ware aard van de dingen. Deze wijsheid wordt ook geassocieerd met inzicht in de leegte (śūnyatā) van dharma's (verschijnselen) en hun illusoire aard (māyā). Dit komt neer op het idee dat alle verschijnselen (dharma's) hebben zonder uitzondering 'geen essentiële onveranderlijke kern' (dwz ze missen svabhāva , een essentie of inherente aard), en hebben daarom 'geen fundamenteel werkelijk bestaan'. Deze lege verschijnselen worden ook wel conceptuele constructies genoemd.


De meest invloedrijke denkers in deze traditie waren de Indiase broers Asanga en Vasubandhu , samen met een obscure figuur genaamd Maitreyanātha . Yogācāra- filosofen ontwikkelden hun eigen interpretatie van de leer van leegte , die Madhyamaka ook bekritiseerde omdat ze in het nihilisme vervalt. [131]
Hierdoor zijn alle dharma 's (dingen, verschijnselen), zelfs de leer van de Boeddha, de Boeddha zelf, Nirvāṇa en alle levende wezens, als 'illusies' of 'magie' en 'dromen'. Deze leegte of het ontbreken van werkelijk bestaan ​​is zelfs van toepassing op het schijnbaar ontstaan ​​en verdwijnen van verschijnselen. Daarom worden alle verschijnselen in de Prajñāpāramitā-literatuur ook beschreven als niet-ontstaan , ongeboren, "voorbij komen en gaan". De bekendste is de Hart Sutrastelt dat "alle verschijnselen leeg zijn, dat wil zeggen zonder karakteristiek, niet-geproduceerd, onophoudelijk, roestvrij, niet roestvrij, onverminderd, ongevuld." De Prajñāpāramitā-teksten gebruiken ook verschillende metaforen om de aard van dingen te beschrijven, de Diamant Sutra vergelijkt verschijnselen bijvoorbeeld met: "Een vallende ster, een vertroebeling van het zicht, een lamp, een illusie, een dauwdruppel, een luchtbel, een droom, een bliksemflits, een donderwolk."


Boeddha-natuur
Prajñāpāramitā wordt ook geassocieerd met niets in de wereld begrijpen, geen standpunt innemen of 'niet opnemen' (aparigṛhīta). De Aṣṭasāhasrikā Prajñāpāramitā Sūtra legt het uit als "niet grijpen naar vorm, niet grijpen naar sensatie, perceptie, wilskracht en cognitie". Dit omvat het niet begrijpen of opnemen van zelfs maar correcte boeddhistische ideeën of mentale tekens (zoals 'niet-zelf', 'leegte', bodhicitta, geloften), aangezien deze dingen uiteindelijk ook allemaal lege concepten zijn.


Een reliekschrijn uit de Kamakura-periode met daarop een cintamani (wensvervullend juweel). Boedha-natuurteksten gebruiken vaak de metafoor van een juweel (dwz boeddha-natuur) dat alle wezens hebben maar waarvan ze zich niet bewust zijn
==Madhyamaka (centrisme)==
Hoofd artikel: Boeddha-natuur
De leer van het Tathāgata- embryo of Tathāgata-baarmoeder ( Tathāgatagarbha ), ook wel bekend als Boeddha-natuur, matrix of principe ( Skt : Buddha-dhātu ) is belangrijk in alle moderne Mahāyāna-tradities, hoewel het op veel verschillende manieren wordt geïnterpreteerd. In grote lijnen houdt de Boeddha-natuur zich bezig met het verklaren van wat levende wezens in staat stelt om Boeddha's te worden. [132] De vroegste bronnen voor dit idee kunnen de Tathagatagarbha Sūtra en de Mahāyāna Mahāparinirvāṇa Sūtra omvatten . [133] [132] De Mahāyāna Mahāparinirvāṇaverwijst naar "een heilige natuur die de basis vormt voor [wezens] die boeddha's worden", [134] en het beschrijft het ook als het 'Zelf' ( atman ). [135]


David Seyfort Ruegg legt dit concept uit als de basis of ondersteuning voor de beoefening van het pad, en dus is het de "oorzaak" ( hetu ) voor de vrucht van Boeddhaschap. [132] De Tathāgatagarbha Sūtra stelt dat binnen de verontreinigingen wordt gevonden "de Tathagata's wijsheid, de Tathagata's visie en het Tathagata's lichaam ... eeuwig onbezoedeld, en ... vol met deugden die niet verschillen van de mijne ... de tathagagarbha's van alle wezens zijn eeuwig en onveranderlijk". [136]
De Mahāyāna filosofische school genaamd Madhyamaka (middentheorie of centrisme, ook bekend als śūnyavāda, 'de leegtetheorie') werd gesticht door de figuur van Nagarjuna uit de tweede eeuw. Deze filosofische traditie richt zich op het weerleggen van alle theorieën die enige vorm van substantie, inherent bestaan ​​of intrinsieke aard veronderstellen.


De ideeën die in de Boeddha-natuurliteratuur worden gevonden, zijn een bron van veel discussie en onenigheid onder zowel Mahāyāna-boeddhistische filosofen als moderne academici. [137] Sommige geleerden hebben dit gezien als een invloed van het brahmaanse hindoeïsme , en sommige van deze soetra's geven toe dat het gebruik van de term 'zelf' gedeeltelijk wordt gedaan om niet-boeddhistische asceten voor zich te winnen (met andere woorden, het is een bekwame middelen). [138] [139] Volgens sommige geleerden vertegenwoordigt de Boeddha-natuur die in sommige Mahāyāna-sūtra's wordt besproken, geen substantiële zelf ( ātman ) die de Boeddha bekritiseerde; het is eerder een positieve uitdrukking van leegte ( śūnyatā) en vertegenwoordigt de mogelijkheid om Boeddhaschap te realiseren door middel van boeddhistische praktijken. Evenzo denkt Williams dat deze doctrine oorspronkelijk niet over ontologische kwesties ging, maar over 'religieuze kwesties van het realiseren van iemands spirituele potentieel, vermaning en aanmoediging'. [136]
In zijn geschriften probeert Nagarjuna aan te tonen dat elke theorie van intrinsieke aard wordt tegengesproken door de Boeddha's theorie van afhankelijk ontstaan, aangezien alles wat een onafhankelijk bestaan ​​heeft, niet afhankelijk kan ontstaan. De śūnyavāda- filosofen waren onvermurwbaar dat hun ontkenning van svabhāva geen soort nihilisme is (tegen protesten van het tegendeel door hun tegenstanders).


Het Boeddha-natuurgenre van sūtra's kan worden gezien als een poging om boeddhistische leringen te verkondigen met behulp van positieve taal en tegelijkertijd de middenweg te handhaven, om te voorkomen dat mensen zich van het boeddhisme afkeren door een verkeerde indruk van nihilisme. [141] Dit is het standpunt van de Laṅkāvatāra Sūtra , waarin staat dat de Boeddha's de leer van tathāgatagarbha onderwijzen (die klinkt als een atman) om die wezens te helpen die gehecht zijn aan het idee van anatman. De soetra gaat echter verder met te zeggen dat de tathāgatagarbha leeg is en eigenlijk geen substantieel zelf is. [142] [143]
Met behulp van de theorie van twee waarheden beweert Madhyamaka dat hoewel men kan spreken over dingen die in conventionele, relatieve zin bestaan, ze niet inherent in ultieme zin bestaan. Madhyamaka stelt ook dat leegte zelf ook "leeg" is, het heeft geen absoluut eigen bestaan. Het moet ook niet worden opgevat als een transcendentale absolute werkelijkheid. In plaats daarvan is de leegtetheorie slechts een bruikbaar concept waaraan niet moet worden vastgehouden. In feite, voor Madhyamaka, aangezien alles leeg is van het ware bestaan, zijn alle dingen slechts conceptualisaties, inclusief de theorie van leegte, en alle concepten moeten uiteindelijk worden losgelaten om de aard van de dingen echt te begrijpen.


Een andere mening wordt verdedigd door verschillende moderne geleerden zoals Michael Zimmermann. Deze visie is het idee dat boeddha-natuur sutra's zoals de Mahāparinirvāṇa en de Tathagatagarbha Sūtra een bevestigende visie leren van een eeuwig, onverwoestbaar boeddhistisch zelf. [135] Shenpen Hookham, een westerse geleerde en lama, ziet de Boeddha-natuur als een Ware Zelf dat echt en permanent is. Evenzo begrijpt CD Sebastian de mening van de Ratnagotravibhāga over dit onderwerp als een transcendentaal zelf dat "de unieke essentie van het universum" is. [145]
==Vijñānavāda (de bewustzijnsdoctrine)==


Argumenten voor authenticiteit
Vijñānavāda ("de leer van het bewustzijn") is een andere belangrijke doctrine die werd gepromoot door sommige Mahāyāna-soetra's die later de centrale theorie werd van een belangrijke filosofische beweging die ontstond tijdens de Gupta-periode genaamd Yogācāra. De primaire soetra die bij deze denkrichting hoort, is de Saṃdhinirmocana Sūtra, die beweert dat śūnyavāda niet de laatste definitieve leer van de Boeddha is. In plaats daarvan wordt gezegd dat de ultieme waarheid de opvatting is dat alle dingen (dharma's) alleen geest, bewustzijn of percepties zijn en dat ogenschijnlijk "externe" objecten (of "interne" onderwerpen) niet echt bestaan ​​los van de afhankelijk voortgekomen stroom van mentale ervaringen.
Indiase Mahāyāna-boeddhisten kregen te maken met verschillende kritieken van niet-mahāyānisten met betrekking tot de authenticiteit van hun leringen. De belangrijkste kritiek waarmee ze te maken kregen, was dat de Mahāyāna-leringen niet door de Boeddha waren onderwezen, maar door latere figuren waren uitgevonden. [146] [147] Talrijke Mahāyāna-teksten bespreken deze kwestie en proberen op verschillende manieren de waarheid en authenticiteit van Mahāyāna te verdedigen. [148]


Een idee dat Mahāyāna-teksten naar voren brachten, is dat Mahāyāna-leringen later werden onderwezen omdat de meeste mensen de Mahāyāna-sūtra's ten tijde van de Boeddha niet konden begrijpen en dat mensen pas in latere tijden bereid waren om de Mahāyāna te horen. [149] Bepaalde traditionele verslagen stellen dat Mahāyāna-soetra's werden verborgen of veilig bewaard door goddelijke wezens zoals Naga 's of bodhisattva's totdat de tijd aanbrak om ze te verspreiden. [150] [151]
Wanneer deze stroom van mentaliteit wordt gezien als leeg van de subject-object dualiteit die we eraan opleggen, bereikt men de non-duale kennis van "Aldus", wat nirvana is. Deze doctrine is ontwikkeld door middel van verschillende theorieën, waarvan de belangrijkste de acht bewustzijnsvormen en de drie naturen zijn . De Saṃdhinirmocana noemt zijn doctrine de ' derde omwenteling van het dharmawiel'. De Pratyutpanna sutra vermeldt deze doctrine ook en stelt: "wat ook tot deze drievoudige wereld behoort, is niets anders dan gedachte. Waarom is dat? Het is omdat hoe ik me de dingen ook voorstel, ze er zo uitzien".


Evenzo stellen sommige bronnen ook dat Mahāyāna-leringen door andere boeddha's, bodhisattva's en deva 's aan een select aantal individuen werden geopenbaard (vaak door middel van visioenen of dromen). [148] Sommige geleerden hebben een verband gezien tussen dit idee en Mahāyāna-meditatiepraktijken waarbij de visualisatie van Boeddha's en hun Boeddhalanden betrokken zijn. [152]
De meest invloedrijke denkers in deze traditie waren de Indiase broers Asanga en Vasubandhu , samen met een obscure figuur genaamd Maitreyanātha. Yogācāra-filosofen ontwikkelden hun eigen interpretatie van de leer van leegte, die Madhyamaka ook bekritiseerde omdat ze in het nihilisme vervalt.


Een ander argument dat Indiase boeddhisten ten gunste van de Mahāyāna gebruikten, is dat de leringen ervan waar zijn en tot ontwaken leiden, aangezien ze in overeenstemming zijn met de Dharma. Hierdoor kan men zeggen dat ze "goed gezegd" zijn ( subhasita) , en daarom kan men zeggen dat ze in deze zin het woord van de Boeddha zijn. Dit idee dat alles wat "goed gesproken" is, het woord van de Boeddha is, kan worden herleid tot de vroegste boeddhistische teksten, maar het wordt breder geïnterpreteerd in het Mahāyāna. [153] Vanuit het Mahāyāna-standpunt is een lering het 'woord van de Boeddha' omdat het in overeenstemming is met de Dharma , niet omdat het werd uitgesproken door een specifiek individu (bijv . Gautama ).(8e eeuw), die beweert dat een "geïnspireerde uitspraak" het Boeddhawoord is als het "verbonden is met de waarheid", "verbonden is met de Dharma", "verzaking van klesha's teweegbrengt, niet hun toename" en "het toont de prijzenswaardige kwaliteiten van nirvana, niet die van samsara." [155]
==Boeddha-natuur==


De moderne Japanse zenboeddhistische geleerde DT Suzuki voerde op dezelfde manier aan dat hoewel de Mahāyāna-sūtra's misschien niet rechtstreeks door de historische Boeddha zijn onderwezen, de 'geest en centrale ideeën' van Mahāyāna afkomstig zijn van de Boeddha. Volgens Suzuki evolueerde Mahāyāna en paste zich aan de tijd aan door nieuwe leringen en teksten te ontwikkelen, met behoud van de geest van de Boeddha. [156]
De leer van de Boeddha-natuur, is belangrijk in alle moderne Mahāyāna-tradities, hoewel het op veel verschillende manieren wordt geïnterpreteerd. In grote lijnen houdt de Boeddha-natuur zich bezig met het verklaren van wat levende wezens in staat stelt om Boeddha's te worden. De vroegste bronnen voor dit idee kunnen de Tathagatagarbha Sūtra en de Mahāyāna Mahāparinirvāṇa Sūtra omvatten. De Mahāyāna Mahāparinirvāṇa verwijst naar "een heilige natuur die de basis vormt voor [wezens] die boeddha's worden", en het beschrijft het ook als het 'Zelf' (atman).


Claims van superioriteit
De ideeën die in de Boeddha-natuurliteratuur worden gevonden, zijn een bron van veel discussie en onenigheid onder zowel Mahāyāna-boeddhistische filosofen als moderne academici. Sommige geleerden hebben dit gezien als een invloed van het brahmaanse hindoeïsme, en sommige van deze soetra's geven toe dat het gebruik van de term 'zelf' gedeeltelijk wordt gedaan om niet-boeddhistische asceten voor zich te winnen (met andere woorden, het is een bekwame middelen). Volgens sommige geleerden vertegenwoordigt de Boeddha-natuur die in sommige Mahāyāna-sūtra's wordt besproken, geen substantiële zelf (ātman) die de Boeddha bekritiseerde; het is eerder een positieve uitdrukking van leegte en vertegenwoordigt de mogelijkheid om Boeddhaschap te realiseren door middel van boeddhistische praktijken.
Mahāyāna ziet zichzelf vaak als verder en dieper doordringen in de Dharma van de Boeddha . Een Indiaas commentaar op de Mahāyānasaṃgraha geeft een classificatie van leringen volgens de mogelijkheden van het publiek: [157]


Volgens de cijfers van de discipelen wordt de Dharma geclassificeerd als inferieur en superieur. De inferieure werd bijvoorbeeld aan de kooplieden Trapuṣa en Ballika geleerd omdat ze gewone mannen waren; de middelste werd aan de groep van vijf geleerd omdat ze zich in het stadium van heiligen bevonden; de achtvoudige Prajñāpāramitā 's werden onderwezen aan bodhisattva's, en [de Prajñāpāramitā's ] zijn superieur in het elimineren van conceptueel ingebeelde vormen. - Vivṛtaguhyārthapiṇḍavyākhyā
Het Boeddha-natuurgenre van sūtra's kan worden gezien als een poging om boeddhistische leringen te verkondigen met behulp van positieve taal en tegelijkertijd de middenweg te handhaven, om te voorkomen dat mensen zich van het boeddhisme afkeren door een verkeerde indruk van nihilisme. Dit is het standpunt van de Laṅkāvatāra Sūtra, waarin staat dat de Boeddha's de leer van tathāgatagarbha onderwijzen (die klinkt als een atman) om die wezens te helpen die gehecht zijn aan het idee van anatman. De soetra gaat echter verder met te zeggen dat de tathāgatagarbha leeg is en eigenlijk geen substantieel zelf is.


Er is ook een tendens in Mahāyāna-sūtra's om het naleven van deze Sūtra's te beschouwen als het genereren van spirituele voordelen die groter zijn dan die welke voortvloeien uit het volgen van de niet-Mahāyāna-benaderingen. Zo beweert de Śrīmālādevī Siṃhanāda Sūtra dat de Boeddha zei dat toewijding aan Mahāyāna inherent superieur is in zijn deugden aan het volgen van de śrāvaka- of pratyekabuddha- paden. [158]
==Twijfel en discussie==


Het commentaar op de Abhidharmasamuccaya geeft de volgende zeven redenen voor de 'grootheid' van de Mahayana: [159]
Indiase Mahāyāna-boeddhisten kregen te maken met verschillende kritieken van niet-mahāyānisten met betrekking tot de authenticiteit van hun leringen. De belangrijkste kritiek waarmee ze te maken kregen, was dat de Mahāyāna-leringen niet door de Boeddha waren onderwezen, maar door latere figuren waren uitgevonden. Talrijke Mahāyāna-teksten bespreken deze kwestie en proberen op verschillende manieren de waarheid en authenticiteit van Mahāyāna te verdedigen.


Grootheid van ondersteuning (ālambana): het pad van de bodhisatva wordt ondersteund door de grenzeloze leringen van de Perfectie van Wijsheid in Honderdduizend Verzen en andere teksten;
Een idee dat Mahāyāna-teksten naar voren brachten, is dat Mahāyāna-leringen later werden onderwezen omdat de meeste mensen de Mahāyāna-sūtra's ten tijde van de Boeddha niet konden begrijpen en dat mensen pas in latere tijden bereid waren om de Mahāyāna te horen. Bepaalde traditionele verslagen stellen dat Mahāyāna-soetra's werden verborgen of veilig bewaard door goddelijke wezens zoals Naga 's of bodhisattva's totdat de tijd aanbrak om ze te verspreiden.
Grootsheid van beoefening (pratipatti): de alomvattende beoefening ten behoeve van zichzelf en anderen (sva-para-artha);
Grootheid van begrip (jñāna): van het begrijpen van de afwezigheid van het zelf in personen en verschijnselen (pudgala-dharma-nairātmya);
Grootsheid van energie (vīrya): van toewijding tot vele honderdduizenden moeilijke taken gedurende drie ontelbare grote eonen (mahākalpa);
Grootheid van vindingrijkheid (upāyakauśalya): vanwege het niet innemen van een standpunt in Samsāra of Nirvāṇa;
Grootheid van bereik (prāpti): vanwege het bereiken van onmeetbare en ontelbare krachten (bala), vertrouwen (vaiśāradya) en dharma's die uniek zijn voor Boeddha's (āveṇika-buddhadharma);
Grootheid van daden (karma): vanwege het willen uitvoeren van de daden van een Boeddha tot het einde van Samsara door ontwaken te tonen, enz.
Oefen
De beoefening van het Mahāyāna-boeddhisme is behoorlijk gevarieerd. Een gemeenschappelijke reeks deugden en praktijken die door alle Mahāyāna-tradities wordt gedeeld, zijn de zes perfecties of transcendente deugden ( pāramitā ).


Een centrale praktijk die door talrijke Mahāyāna-bronnen wordt bepleit, is gericht op "het verwerven van verdienste , de universele valuta van de boeddhistische wereld, waarvan werd aangenomen dat een grote hoeveelheid nodig was voor het bereiken van boeddhaschap". [160]
Evenzo stellen sommige bronnen ook dat Mahāyāna-leringen door andere boeddha's, bodhisattva's en deva 's aan een select aantal individuen werden geopenbaard (vaak door middel van visioenen of dromen). Sommige geleerden hebben een verband gezien tussen dit idee en Mahāyāna-meditatiepraktijken waarbij de visualisatie van Boeddha's en hun Boeddhalanden betrokken zijn.


Een andere belangrijke klasse van Mahāyāna-boeddhistische beoefening zijn tekstuele praktijken die te maken hebben met het luisteren naar, onthouden, reciteren, prediken, aanbidden en kopiëren van Mahāyāna-sūtra's . [39]
De moderne Japanse zenboeddhistische geleerde DT Suzuki voerde op dezelfde manier aan dat hoewel de Mahāyāna-sūtra's misschien niet rechtstreeks door de historische Boeddha zijn onderwezen, de 'geest en centrale ideeën' van Mahāyāna afkomstig zijn van de Boeddha. Volgens Suzuki evolueerde Mahāyāna en paste zich aan de tijd aan door nieuwe leringen en teksten te ontwikkelen, met behoud van de geest van de Boeddha.


Paramitā  
==Paramitā==
Mahāyāna sūtra's, vooral die van het Prajñāpāramitā- genre, leren de beoefening van de zes transcendente deugden of perfecties ( pāramitā ) als onderdeel van het pad naar Boeddhaschap . Speciale aandacht wordt besteed aan transcendente kennis ( prajñāpāramitā ), die wordt gezien als een primaire deugd. [161] Volgens Donald S. Lopez Jr. kan de term pāramitā "excellentie" of " perfectie " betekenen, evenals "dat wat verder is gegaan" of " transcendentie ". [162]


De Prajñapāramitā sūtra's en een groot aantal andere Mahāyāna-teksten noemen zes perfecties: [163] [164] [160]
De Prajñapāramitā sūtra's en een groot aantal andere Mahāyāna-teksten noemen zes perfecties:


Dāna pāramitā : vrijgevigheid, liefdadigheid, geven
*1 vrijgevigheid, liefdadigheid, geven
Śīla pāramitā : deugd, discipline, correct gedrag (zie ook: Bodhisattva voorschriften )
*2 deugd, discipline, correct gedrag (zie ook: Bodhisattva voorschriften )
Kṣānti pāramitā: geduld, verdraagzaamheid, verdraagzaamheid, acceptatie, uithoudingsvermogen
*3 geduld, verdraagzaamheid, verdraagzaamheid, acceptatie, uithoudingsvermogen
Vīrya in pāramitā : energie, ijver, kracht, inspanning
*4 energie, ijver, kracht, inspanning
Dhyāna pāramitā : eenpuntige concentratie, contemplatie, meditatie
*5 eenpuntige concentratie, contemplatie, meditatie
Prajñā pāramitā : transcendente wijsheid, spirituele kennis
*6  transcendente wijsheid, spirituele kennis
Deze lijst wordt ook genoemd door de Theravāda-commentator Dhammapala , die het beschrijft als een indeling van dezelfde tien perfecties van het Theravada-boeddhisme. Volgens Dhammapala wordt Sacca geclassificeerd als zowel Śīla als Prajñā , worden Mettā en Upekkhā geclassificeerd als Dhyāna en valt Adhiṭṭhāna onder alle zes. [164] Bhikkhu Bodhi stelt dat de correlaties tussen de twee sets laten zien dat er een gedeelde kern was voordat de Theravada- en Mahayana-scholen uit elkaar gingen. [165]


In de Ten Stages Sutra en de Mahāratnakūṭa Sūtra worden nog vier pāramitā's vermeld: [106]
Deze lijst wordt ook genoemd door de Theravāda-commentator Dhammapala, die het beschrijft als een indeling van dezelfde tien perfecties van het Theravada-boeddhisme.
In de Ten Stages Sutra en de Mahāratnakūṭa Sūtra worden nog vier pāramitā's vermeld:


7. Upāya pāramitā : bekwame middelen
*7 Upāya pāramitā : bekwame middelen
8. Praṇidhāna pāramitā : gelofte, resolutie, aspiratie, vastberadenheid, dit gerelateerd aan de bodhisattva-geloften
*8 Praṇidhāna pāramitā : gelofte, resolutie, aspiratie, vastberadenheid, dit gerelateerd aan de bodhisattva-geloften
9. Bala paramitā : spirituele kracht
*9 Bala paramitā : spirituele kracht
10. In Jñāna paramitā : kennis
*10 In Jñāna paramitā : kennis
Meditatie


De Japanse monnik Kūya die de nembutsu reciteert , afgebeeld als zes kleine Amida Boeddha-figuren
==Meditatie==


Zenmeester Bodhidharma mediterend, Ukiyo-e houtblokdruk door Tsukioka Yoshitoshi , 1887
Het Mahāyāna-boeddhisme leert een breed scala aan meditatiepraktijken. Deze omvatten meditaties die worden gedeeld met de vroege boeddhistische tradities, waaronder opmerkzaamheid van de ademhaling; aandacht voor de onaantrekkelijkheden van het lichaam liefdevolle vriendelijkheid; de contemplatie van afhankelijk ontstaan; en mindfulness van de Boeddha. In het Chinese boeddhisme staan ​​deze vijf praktijken bekend als de "vijf methoden om de geest tot rust te brengen of tot rust te brengen" en ondersteunen ze de ontwikkeling van de stadia van dhyana.
Het Mahāyāna-boeddhisme leert een breed scala aan meditatiepraktijken. Deze omvatten meditaties die worden gedeeld met de vroege boeddhistische tradities, waaronder opmerkzaamheid van de ademhaling ; aandacht voor de onaantrekkelijkheden van het lichaam ; liefdevolle vriendelijkheid ; de contemplatie van afhankelijk ontstaan ; en mindfulness van de Boeddha . [166] [167] In het Chinese boeddhisme staan ​​deze vijf praktijken bekend als de "vijf methoden om de geest tot rust te brengen of tot rust te brengen" en ondersteunen ze de ontwikkeling van de stadia van dhyana . [168]


De Yogācārabhūmi-Śāstra (samengesteld rond de 4e eeuw), de meest uitgebreide Indiase verhandeling over Mahāyāna-beoefening, bespreekt klassieke boeddhistische talrijke meditatiemethoden en -onderwerpen, waaronder de vier dhyāna's , de verschillende soorten samādhi , de ontwikkeling van inzicht ( vipaśyanā ) en rust ( śamatha ), de vier fundamenten van opmerkzaamheid ( smṛtyupasthāna ), de vijf hindernissen ( nivaraṇa ), en klassieke boeddhistische meditaties zoals de contemplatie van onaantrekkelijkheid, vergankelijkheid ( anitya ), lijden ( duḥkha ) en contemplatie van de dood ( maraṇasaṃjñā).[169]
De Yogācārabhūmi-Śāstra (samengesteld rond de 4e eeuw), de meest uitgebreide Indiase verhandeling over Mahāyāna-beoefening, bespreekt klassieke boeddhistische talrijke meditatiemethoden en -onderwerpen, waaronder de vier dhyāna's , de verschillende soorten samādhi , de ontwikkeling van inzicht ( vipaśyanā ) en rust ( śamatha ), de vier fundamenten van opmerkzaamheid ( smṛtyupasthāna ), de vijf hindernissen ( nivaraṇa ), en klassieke boeddhistische meditaties zoals de contemplatie van onaantrekkelijkheid, vergankelijkheid ( anitya ), lijden ( duḥkha ) en contemplatie van de dood ( maraṇasaṃjñā).[169]