Dharma-Lotus is een boeddhistische organisatie met 6 vestigingen in Nederland en een | retraitecentrum (Ekãyano) in Noord-Frankrijk | Mail.png | WA-logo.png | Abonneer op onze Nieuwsbrief

Gautama de Boeddha: verschil tussen versies

Naar navigatie springen Naar zoeken springen
222 bytes verwijderd ,  13 jun 2023 14:23
geen bewerkingssamenvatting
Label: Ongedaan gemaakt
Geen bewerkingssamenvatting
Label: Handmatige ongedaanmaking
Regel 11: Regel 11:
==Siddharta Gautama==
==Siddharta Gautama==


De Sakya-clan was een samenwerkingsverband van verschillende nederzettingen, waarvan Kapilavastu het bestuurs- en handelscentrum was. In de tijd dat Siddhartha werd geboren, telde deze stad ongeveer 8.000 inwoners, en de hele clan had ongeveer 180.000 inwoners. Siddhartha's vader, Suddhodana, was dus geen grote en rijke koning met paleizen en veel bedienden, zoals soms wordt gesuggereerd. In meerdere biografieën van de Boeddha wordt vermeld dat hij de zoon van een koning was, maar dit is onjuist. De Sakya-clan was een republiek en maakte deel uit van een koninkrijk. Ze hadden een eigen raadsvergadering en de leden kozen democratisch een radja uit hun midden, en dat was Suddhodana, de vader van Siddhartha.
Deze Sakya-clan was een samenwerkingsverband van meerdere nederzettingen waarvan [[Kapilavastu]] het bestuurs- en handelscentrum was. Deze stad telde in de tijd dat Siddhartha geboren werd ongeveer 8.000 inwoners en de gehele clan telde ongeveer 180.000 inwoners. Zijn vader, Suddhodana, was dus geen grote en rijke koning met paleizen en vele bedienden zoals wel eens voorgesteld wordt. In meerdere biografieën over de Boeddha wordt verteld dat hij een zoon van een koning was en dit is dus  onjuist. De Sakya-clan was een republiek en onderdeel van een koninkrijk. Het had een eigen raadsvergadering en de leden kozen uit hun midden op democratische wijze een radja en dat was Suddhodana, de vader van Siddhartha.


Suddhodana was getrouwd met twee zussen, die ook zijn nichten waren, en ze kwamen uit Devadaha (Sakiya-clan). Mãyã Mahamãyã was de oudste zus en tevens zijn eerste vrouw, en zij was de moeder van Siddhartha. Pajãpati (Mahapajãpati, Gotami) was zijn tweede vrouw, die twee kinderen ter wereld bracht, namelijk zoon Nanda en dochter Sundarinandã. In die tijd was het gebruikelijk dat een vrouw beviel in het huis van haar ouders, dus Mãyã vertrok hoogzwanger naar Devadaha. Ze is echter nooit aangekomen, omdat haar vliezen halverwege de reis braken en ze net buiten Lumbini beviel. We kunnen aannemen dat ze niet alleen de meerdaagse reis van Kapilavastu naar Devadaha heeft gemaakt. Het is logisch dat ze samen met hun gevolg deze reis hebben ondernomen, aangezien haar zus ook hoogzwanger was en naar haar ouderlijk huis moest reizen. Het is onduidelijk of er ook een vroedvrouw in hun gevolg aanwezig was, maar het is bekend dat de bevalling zeer zwaar was en dat Mãyã direct na de bevalling terugkeerde naar Kapilavastu..  
Suddhodana was met 2 zusters getrouwd die tevens zijn nichten waren en uit Devadaha (Sakiya-clan) kwamen. Mãyã Mahamãyã was de oudste zuster en tevens zijn eerste vrouw en de moeder van Siddhartha. [[Pajāpatī Gotamī|Pajãpati (Mahapajãpati, Gotami)]] was zijn tweede vrouw die het leven schonk aan 2 kinderen n.l. zoon Nanda en dochter Sundarinandã. In die tijd was het gebruikelijk dat een vrouw in haar ouderlijk huis beviel en zodoende vertrok Mãyã hoogzwanger naar Devadaha. Zij is daar echter nooit aangekomen omdat halverwege de reis haar vliezen braken en de bevalling plaats vond net buiten [[Lumbini]]. We mogen aannemen dat zij niet alléén de meerdaagse reis van Kapilavastu naar Devadaha ondernam. Een veronderstelling welke bekrachtigd wordt omdat haar zus eveneens hoogzwanger was en dus ook de reis naar haar ouderlijk huis diende te maken. Logisch dat ze samen en met hun gevolg deze reis hebben ondernomen. Of in hun gevolg ook een vroedvrouw aanwezig was is onduidelijk maar bekend is dat de bevalling uitermate zwaar was en dat Mãyã direct na de bevalling terug is gegaan naar Kapilavastu.  


===jeugdjaren===
===jeugdjaren===
[[File:SriLanka BuddhistStatue (pixinn.net).jpg|thumb|Boeddhabeeld uit Sri-Lanka]]
[[File:SriLanka BuddhistStatue (pixinn.net).jpg|thumb|Boeddhabeeld uit Sri-Lanka]]
Na zijn terugkeer thuis voorspelde priester Asita Kaladevela als eerste een bijzondere toekomst voor het pasgeboren kind, dat toen drie dagen oud was. Volgens de legende kreeg Asita tranen in zijn ogen toen hij het kind zag, omdat hij wist dat het zou uitgroeien tot een bijzondere spirituele leraar. Hij besefte echter ook dat hij niet lang genoeg zou leven om de lessen van het kind te kunnen volgen. Hoewel Asita wist dat Siddhartha een groot spiritueel leraar zou worden, vertelde hij aan zijn vader dat de jongen een groot leider zou worden, zowel op aards als spiritueel niveau. Twee dagen later voerden acht brahmaanse priesters de naamgevingsceremonie uit, waarbij de jongste van hen, Kondañña genaamd, dertig jaar later een van Boeddha's vaste volgelingen zou worden. Op de zesde dag na de geboorte, een dag na de ceremonie, stierf Mãyã en Siddhartha werd verder opgevoed door zijn tante Pajãpati, die zojuist een zoon genaamd Nanda had gekregen.
Eenmaal weer thuis was het priester Asita Kaladevela die het 3 dagen oude kind als eerste een bijzondere toekomst voorspelde. De legende is dat Asita tranen in de ogen kreeg toen hij het kind zag omdat hij wist dat het kind uit zou groeien tot een bijzondere spirituele leraar en hij nooit zo lang zou leven om zijn lessen te kunnen volgen. Hoewel Asita wist dat Siddhartha een groot spiritueel leraar zou gaan worden zei hij tegen zijn vader dat de jongen een groot leider zal gaan worden: “op aards dan wel spiritueel niveau”. 2 dagen later voltrokken 8 brahmaanse priesters de naamgevingceremonie, de jongste van deze priesters heette Kondañña en zou 30 jaar later één van Boeddha's vaste volgelingen worden. Het einde van deze ceremonie was op de 6e dag na de geboorte, een dag later stierf Mãyã en Siddhartha werd verder opgevoed door zijn tante Pajãpati die zojuist was bevallen van een zoon genaamd Nanda.


De eerste keer dat Siddhartha in aanraking kwam met meditatie was toen hij negen jaar oud was. Samen met enkele vrienden mocht hij getuige zijn van de ceremoniële eerste ploeging van het jaar, uitgevoerd door de radja. Deze ceremonie was bedoeld om een goede en rijke oogst te waarborgen. De plechtigheid waar Siddhartha ook aanwezig moest zijn, omvatte het voorlezen van vedische geschriften. De jongen wist uit eerdere keren dat dit een langdurige plechtigheid was en vroeg zijn moeder waarom dit nodig was. Zij antwoordde dat de vedische geschriften heilig waren en door de schepper zelf aan de brahmaanse priesters waren overgedragen. Op zijn vraag waarom zijn vader de geschriften niet voorlas, legde ze uit dat alleen degenen die in de brahmaanse kaste waren geboren de geschriften mochten reciteren. Zelfs machtige koningen moesten voor priesterlijke taken een beroep doen op de diensten van de brahmanen.
De eerste keer dat Siddhartha tot [[meditatie]] kwam was toen hij 9 jaar oud was en samen met enkele vrienden bij het ceremoniële eerste ploegen van het jaar mocht zijn. Hier werd door de radja het eerste stuk grond van het jaar geploegd en de ceremonie was bedoeld om een goede en rijke oogst te waarborgen. De plechtigheid waartoe Siddhartha ook aanwezig moest zijn bestond uit het voorlezen van vedische geschriften en de jongen wist van voorgaande keren dat dit een langdurige plechtigheid was. Hij vroeg zijn moeder waarom dat nodig was waarop zij antwoordde dat de vedische geschriften heilig waren en door de schepper zelf aan de brahmaanse priesters waren overgedragen. Op zijn vraag waarom zijn vader de geschriften niet voorlas antwoordde ze dat alleen degenen die in de Brahmaanse kaste waren geboren de geschriften mochten reciteren. Zelfs heel machtige koningen moeten voor priesterlijke taken een beroep doen op de diensten van de brahmanen.  


De jongen slaagde erin vrij te krijgen en ging op een afstand naar het ploegen kijken. Siddhartha zag hoe de ploeg door de aarde sneed en strakke voren trok. Hij merkte echter ook op hoe wormen en ander bodemleven doormidden werden gesneden en kronkelend achterbleven, en hoe deze wezens werden opgepikt door kleine vogels. Hij zag ook hoe een grote roofvogel een klein musje uit de lucht greep, net nadat het een worm had opgepikt. Vervolgens ging hij onder de schaduw van een djamboeboom zitten, kruiste zijn benen en raakte als vanzelf in een meditatieve staat. Hij aanschouwde de ploeg, het bodemleven, de mus en de roofvogel en merkte op dat hij, als gevolg van de brandende zon, in de schaduw was gaan zitten. Toen hij uit zijn meditatie ontwaakte, zei hij tegen zijn moeder: "Moeder, de wormen en vogels hebben er niets aan dat wij de geschriften reciteren."
De jongen kreeg het voor elkaar om vrij te krijgen en ging op een afstand naar het ploegen kijken. Siddhartha zag dat de ploeg door de aarde sneed en zo strakke voren trok. Hij zag echter ook dat wormen en ander grondleven doormidden werden gesneden en kronkelend achterbleven en hoe deze diertjes werden opgepikt door kleine vogels en hoe een grote roofvogel een klein musje uit de lucht greep die net een worm had opgepikt. Hij ging vervolgens in de schaduw van een djamboeboom zitten, kruiste zijn benen en verzonk als vanzelf in een meditatie. Hij overzag de ploeg, het grondleven, de mus en de roofvogel en merkte op dat hij als gevolg van de brandende zon in de schaduw was gaan zitten. Toen hij uit zijn meditatie kwam zei hij tegen zijn moeder: Moeder, de wormen en de vogels hebben er niets aan dat wij de geschriften reciteren.


==puberjaren==
==puberjaren==
Gedurende Siddhartha's tienerjaren groeiden zijn twijfels over het brahmanisme alleen maar. Als toekomstige radja werd hij onderwezen in de heilige geschriften, zoals de upanishaden en de veda's, en hij had speciale interesse in de Rigveda en de Atharvaveda. Hem werd geleerd dat Brahman de opperheerser van het universum was en dat het een bijzondere gave was om deze god te kunnen bereiken. Dit wekte zijn aandacht voor de manier waarop mensen omgingen met deze geschriften en de bijzondere positie van de brahmanen.
Siddhartha’s twijfels over het brahmanisme werd gedurende zijn tienerjaren alleen maar groter. Als waarschijnlijk toekomstige radja werd hij onderwezen in de heilige geschriften zoals de upanishaden en de veda’s en hij had bijzondere aandacht voor de rigveda en de atharvaveda. Hem werd geleerd dat Brahman de opperheerser van het heelal was en dat het een gave op zich was om deze god te kunnen bereiken. Zodoende kreeg hij aandacht voor de manier waarop de mensen omgingen met deze geschriften en de bijzondere positie van de brahmanen. De veda’s golden als brontekst voor het brahmanisme en daarin werden offerformules, ceremonies en heilige handelingen beschreven en de klemtoon kwam steeds meer te liggen op de juiste uitvoering van al deze rituelen die steeds omslachtiger en ingewikkelder werden. De gewone burger durfde deze niet meer uit te voeren uit angst iets fout te doen en zo de toorn van de goden over zich heen te krijgen en zo werden deze handelingen alleen nog maar uitgevoerd door specialisten; de brahmaanse hindoepriesters. Deze priesters wisten dat zij een monopoliepositie hadden op het spirituele vlak en dat zij een macht hadden die zelfs verder ging dan de macht van de radja’s en de koning. Deze macht zorgde er uiteindelijk voor dat het hele spirituele denken op zijn kop werd gezet. Waren offers in eerste instantie bedoeld om de goden gunstig te stemmen, gaandeweg waren de goden afhankelijk van de offers van de priesters. Zonder de juiste uitvoering van de rituelen waren de goden kansloos en hadden niet de goden maar de priesters alle touwtjes in handen. Siddhartha merkte dit op tijdens een uitstapje waarbij hij langs een strohut kwam waar een rouwbeklag bezig was. Hij hoorde dat de kostwinner pas gestorven was en hij zag dat zowel de hut als de bewoners er zeer armoedig uitzagen. Hij hoorde hoe de kostwinner naar een brahmaanse priester was gegaan om hem te vragen de grond onder een nieuw te bouwen hut te zuiveren. De priester had als wederdienst geëist dat de man voor hem zou werken. Door dagenlang stenen te dragen en hout te hakken werd de man ziek en was uiteindelijk komen te overlijden.
 
De veda's werden beschouwd als de oorspronkelijke teksten van het brahmanisme, waarin offerformules, ceremonies en heilige handelingen werden beschreven. Er kwam steeds meer nadruk te liggen op de juiste uitvoering van al deze rituelen, die steeds complexer en ingewikkelder werden. De gewone burger durfde deze handelingen niet meer uit te voeren uit angst iets verkeerds te doen en de toorn van de goden over zich af te roepen. Daarom werden deze handelingen alleen nog maar uitgevoerd door specialisten: de brahmaanse hindoepriesters. Deze priesters beseften dat ze een monopolie hadden op het spirituele vlak en dat ze meer macht hadden dan zelfs de radja's en de koning. Deze macht zorgde ervoor dat het hele spirituele denken uiteindelijk op zijn kop werd gezet.
 
Siddhartha merkte dit op tijdens een uitstapje toen hij langs een strohut kwam waar een rouwceremonie plaatsvond. Hij hoorde dat de kostwinner was overleden en zag dat zowel de hut als de bewoners er zeer armoedig uitzagen. Hij vernam dat de kostwinner naar een brahmaanse priester was gegaan om hem te vragen de grond voor een nieuwe hut te zuiveren. Als tegenprestatie eiste de priester dat de man voor hem zou werken. Door dagenlang stenen te dragen en hout te hakken, werd de man ziek en uiteindelijk kwam hij te overlijden. Deze gebeurtenis raakte Siddhartha diep en zette hem aan het denken.


===trouwen===
===trouwen===
Siddhartha en Bhaddakaccãnã waren al 13 jaar getrouwd toen ze op 29-jarige leeftijd een zoon kregen, Rahula. Enkele weken tot maanden nadat hun zoon was geboren, verliet Siddhartha zijn gezin met de steun van zijn jeugdvriend Channa om een samana te worden. Volgens de legende is Siddhartha stilletjes vertrokken zonder dat iemand het wist, maar uit de Pali-canon (Majjhima Nikaya) blijkt dat dit onjuist is:
Siddhartha ging steeds meer uitstapjes maken en het liefst naar kluizenaars, [[monnik|monniken]] en samana’s die kritisch stonden ten aanzien van de brahmanen en hun eigen spirituele weg aan het zoeken waren.
 
In Sakya waren niet veel van deze vrijgevochten samana’s, maar in het westelijk gelegen koningrijk Kosala en in het zuidelijk gelegen koningrijk Maghada waren er velen. Siddhartha liet blijken ooit naar deze gebieden te willen gaan om bij deze mannen te gaan studeren. Zijn vader kreeg dit allemaal te horen en moest denken aan de voorspelling van Asita Kaladevela dat Siddhartha een groot leider zal gaan worden: -op aards dan wel spiritueel niveau-. Sakya was een kleine republiek en Kosala had al meerdere pogingen ondernomen om het land over te nemen. Als Siddhartha een groot leider zal gaan worden laat het dan op aards niveau zijn, zo dacht Suddhodana. Een bijkomende zorg was dat Siddhartha in alle vakken goed was behalve in militaire zaken, oorlogsvoering en gevechtshandelingen. Suddhodana deelde zijn zorgen met zijn jongere broer  Dronodanaraja, de vader van Devadatta en Ānanda. Deze gaf het advies een vrouw voor Siddhartha te zoeken, dat zou zijn aandacht wel gaan verleggen en hem strijdbaar maken. Vervolgens kreeg Pajãpati die net bevallen was van een dochter (Sundarinandã) de taak een vrouw voor Siddhartha te gaan zoeken. Die vond zij in de persoon Bhaddakaccãnã, een volle nicht van Siddhartha en dochter van raja Suppabuddha die de broer was van Pajãpati. Bhaddakaccãnã was een zeer sociaal persoon die hulpprogramma’s opzette voor armen en zieken en haar vader stimuleerde tot betere verzorging voor de lokale bevolking. Nadat de twee getrouwd waren hebben ze meerdere jaren besteed aan het proberen te verhogen van de levensstandaard van de bevolking. Siddhartha begreep echter steeds meer dat aan het grote lijden zoals ziek worden, ouder worden en sterven op deze manier niet te ontkomen viel. Door zijn blijvende contacten met samana’s begreep hij dat alleen innerlijke rust een weerstand kan bieden aan het grote lijden. Niet dat ziek worden, ouder worden en sterven een halt was toe te roepen maar dat het beleven ervan vanuit een innerlijke rust niet zal leiden tot lijden. Hoe hij echter kon komen tot deze innerlijke rust was iets dat hij niet wist. In de jaren die volgden begreep hij echter steeds meer dat het zoeken naar innerlijke rust het zoeken naar [[verlichting]] was en dat dit niet lukte zolang hij aspirant raja zou blijven. Hij voelde de druk van zijn vader om een groot leider te worden en van Bhaddakaccãnã om haar een kind te schenken en vader te worden. Het idee om samana te worden en de verlichting te bereiken sprak hem steeds meer aan. Een zoon zou de wens van Pajãpati half invullen en ook zijn vader zou een nieuwe opvolger hebben.
"Toen ik nog een Bodhisattva was, kreeg ik een gedachte: 'Het huiselijke leven is beperkend, een stoffige weg, het samanaschap is de vrije hemel. Het is niet gemakkelijk voor iemand die thuis woont om een volmaakte en zuivere heilige levenswijze te volgen. Wat als ik mijn haar en baard zou afscheren, gele gewaden zou dragen en het huiselijke leven zou verlaten om zonder huis te leven?' Dus, hoewel mijn ouders het er niet mee eens waren en met tranen in hun ogen weenden, scheerde ik mijn haar en baard af, droeg ik gele gewaden en verliet ik het huis." (Majjhima Nikaya 36, I, p.240)
 
Siddhartha ging eerst naar Anupiyã, gelegen in het zuiden, waar hij een week verbleef. Vervolgens reisde hij door naar Rãjagaha, waar hij koning Bimbisara ontmoette, die later een trouwe volgeling en vriend van Gautama de Boeddha zou worden. Kort daarna vertrok Siddhartha om te gaan studeren bij Ãlãra Kãlãma. Het is niet bekend of hij deze leraar bewust opzocht of er toevallig terechtkwam. Ãlãra stond niet bekend als een grootheid op het gebied van meditatie en wordt zelden genoemd buiten de geschriften.
 
Zijn leer omvatte een vorm van meditatie die leek op yoga, waarin het bewustzijn één werd met het oneindige. Deze methode werd "de toestand van onbegrensde ruimte" genoemd. De volgende stap was het inzicht dat de geest de bron is van alle verschijnselen, en als je dit inziet, betreed je een toestand van onstoffelijkheid ofwel leegte. Siddhartha zou dit stadium binnen een maand hebben bereikt, en Ãlãra was zeer onder de indruk. Ondertussen ontdekte Siddhartha dat hij de zoon was van een koning en Ãlãra zag in hem de ideale persoon om samen hun gemeenschap te leiden. Maar Siddhartha besefte dat de toestand van onstoffelijkheid weliswaar een diepe meditatieve staat was, maar niet de innerlijke rust bracht die nodig was om het lijden van ouderdom, ziekte en dood op te lossen. Hij verliet Ãlãra en stak de rivier de Ganges over om het koninkrijk Maghada binnen te gaan, een land dat bekend stond om zijn diverse spirituele leraren. Daar ontmoette hij asceten die geen kleding droegen en alleen van voedsel uit het bos leefden. Ze verwaarloosden hun lichaam omdat ze dat als onderdeel van het ego beschouwden, dat ze probeerden los te laten. Siddhartha vond deze methode te extreem, omdat iedereen verlichting zou moeten kunnen bereiken zonder dergelijke extremen toe te passen. Siddhartha zwierf drie jaar rond en verbleef korte periodes bij verschillende leraren. Uiteindelijk kwam hij bij Uddãlaka Ãruni terecht.
 
In tegenstelling tot Ãlãra had Uddãlaka zijn inzichten niet verkregen door zelfinzicht, maar had hij ze van zijn vader Rãma ontvangen. Het zou leiden tot de toestand van 'zonder waarnemen noch niet-waarnemen'. In deze toestand werd ingezien dat leegte iets anders is dan lege ruimte en iets anders is dan bewustzijn. Alles wat overbleef, was waarneming en het object van waarneming. Siddhartha bereikte dit stadium in 15 dagen en merkte op dat het een zeer rustgevende en vredige meditatie was, maar dat het de problemen van leven en dood niet oploste. De rust was beperkt tot de duur van de meditatie, niet daarbuiten. Uddãlaka vond dat Siddhartha verlichting had bereikt en bood hem de leiding over de gemeenschap aan, maar Siddhartha weigerde.


===zijn verzaking===
===zijn verzaking===
Siddhartha en Bhaddakaccãnã waren al 13 jaar getrouwd toen ze op 29-jarige leeftijd een zoon kregen, Rahula. Enkele weken tot maanden nadat hun zoon was geboren, verliet Siddhartha zijn gezin met de steun van zijn jeugdvriend Channa om een samana te worden. Volgens de legende is Siddhartha stilletjes vertrokken zonder dat iemand het wist, maar uit de Pali-canon (Majjhima Nikaya) blijkt dat dit onjuist is:
Siddhartha en Bhaddakaccãnã waren 13 jaar getrouwd toen ze op 29 jarige leeftijd een zoon kregen; [[Rahula]]. Enkele weken á maanden nadat zijn zoon was geboren heeft Siddhartha met steun van zijn jeugdvriend Channa zijn gezin verlaten om een samana te gaan worden. De legende verteld dat Siddhartha zonder dat iemand het wist weg is geslopen, maar uit de [[Pali-canon|Majjhima Nikaya]] blijkt dat dit onjuist is:
 
"Toen ik nog een Bodhisattva was, kreeg ik een gedachte: 'Het huiselijke leven is beperkend, een stoffige weg, het samanaschap is de vrije hemel. Het is niet gemakkelijk voor iemand die thuis woont om een volmaakte en zuivere heilige levenswijze te volgen. Wat als ik mijn haar en baard zou afscheren, gele gewaden zou dragen en het huiselijke leven zou verlaten om zonder huis te leven?' Dus, hoewel mijn ouders het er niet mee eens waren en met tranen in hun ogen weenden, scheerde ik mijn haar en baard af, droeg ik gele gewaden en verliet ik het huis." (Majjhima Nikaya 36, I, p.240)


Siddhartha ging eerst naar Anupiyã, gelegen in het zuiden, waar hij een week verbleef. Vervolgens reisde hij door naar Rãjagaha, waar hij koning Bimbisara ontmoette, die later een trouwe volgeling en vriend van Gautama de Boeddha zou worden. Kort daarna vertrok Siddhartha om te gaan studeren bij Ãlãra Kãlãma. Het is niet bekend of hij deze leraar bewust opzocht of er toevallig terechtkwam. Ãlãra stond niet bekend als een grootheid op het gebied van meditatie en wordt zelden genoemd buiten de geschriften.
''Toen ik nog [[Bodhisattva]] was kreeg ik een gedachte: “een benauwenis is het huiselijk leven, een stoffig pad, het samanaschap is de vrije hemel. Het is niet makkelijk voor iemand die thuis woont om de volmaakte volledige reine levenswandel der heiligheid te volvoeren. Als ik mij nu eens haar en baard zou afscheren, de gele gewaden zou omleggen en uit het huiselijk leven de thuisloosheid in zou trekken? En ik, die nog jong was, een knaap met zwart haar, die in gezegende jeugd verkeerde, in de kracht van mijn leven, schoor mij, hoewel mijn ouders het er niet mee eens waren en tranen in de ogen hadden en weenden, haar en baard af, legde de gele gewaden om en trok uit het huis weg de huisloosheid in'' Majjhima Nikaya 36, I, p.240.


Zijn leer omvatte een vorm van meditatie die leek op yoga, waarin het bewustzijn één werd met het oneindige. Deze methode werd "de toestand van onbegrensde ruimte" genoemd. De volgende stap was het inzicht dat de geest de bron is van alle verschijnselen, en als je dit inziet, betreed je een toestand van onstoffelijkheid ofwel leegte. Siddhartha zou dit stadium binnen een maand hebben bereikt, en Ãlãra was zeer onder de indruk. Ondertussen ontdekte Siddhartha dat hij de zoon was van een koning en Ãlãra zag in hem de ideale persoon om samen hun gemeenschap te leiden. Maar Siddhartha besefte dat de toestand van onstoffelijkheid weliswaar een diepe meditatieve staat was, maar niet de innerlijke rust bracht die nodig was om het lijden van ouderdom, ziekte en dood op te lossen. Hij verliet Ãlãra en stak de rivier de Ganges over om het koninkrijk Maghada binnen te gaan, een land dat bekend stond om zijn diverse spirituele leraren. Daar ontmo
Siddhartha trok als eerste naar het zuidelijk gelegen Anupiyã waar hij een week verbleef en vervolgens trok hij door naar [[Rajgir|Rãjagaha]] waar hij een ontmoeting had met de toenmalige koning [[Bimbisara]] die later een trouw volgeling en vriend van Gautama de Boeddha zou gaan worden. Kort daarna vertrok Siddhartha om te gaan studeren bij [[Alara Kalama|Ãlãra Kãlãma]]. Of hij deze leraar bewust opzocht of dat hij er per toeval bij terecht kwam is onbekend. Ãlara was geen grootheid op [[meditatie|meditatiegebied]] en buiten de soetra’s wordt hij nauwelijks genoemd.  


ette hij asceten die geen kleding droegen en alleen van voedsel uit het bos leefden. Ze verwaarloosden hun lichaam omdat ze dat als onderdeel van het ego beschouwden, dat ze probeerden los te laten. Siddhartha vond deze methode te extreem, omdat iedereen verlichting zou moeten kunnen bereiken zonder dergelijke extremen toe te passen. Siddhartha zwierf drie jaar rond en verbleef korte periodes bij verschillende leraren. Uiteindelijk kwam hij bij Uddãlaka Ãruni terecht.
Zijn leer bestond uit een [[yoga|yoga-achtige]] vorm van meditatie waarin het [[bewustzijn]] één wordt met het oneindige, een methode welke 'de toestand van onbegrensde ruimte' werd genoemd. De vervolgstap was het inzicht dat de [[ego|geest]] de bron is van alle verschijnselen en als je dit inzag dat je dan in een toestand van onstoffelijkheid terecht kwam ofwel de toestand van de leegte. Siddhartha zou dit stadia binnen een maand bereikt hebben en Ãlãra was erg onder de indruk. In de tussentijd was hij erachter gekomen dat zijn leerling een zoon van een radja was en zag in Siddhartha de ideale persoon om samen zijn gemeenschap te gaan leiden. Siddhartha had echter ingezien dat de toestand van onstoffelijkheid een diepe meditatietoestand was maar niet de innerlijke rust teweegbracht die nodig was om het lijden van ouderdom, ziekte en dood op te lossen. Hij verliet Ãlãra en stak de rivier de Ganges over om het koninkrijk Maghada in te trekken, een land welk bekend stond om zijn grote verscheidenheid aan spirituele leraren. Zo ontmoette hij asceten die geen kleding droegen en alleen leefden van producten uit het bos en primair hun lichaam verwaarloosden omdat zij dit zagen als onderdeel van het ego welke ze los probeerden te laten. Siddhartha vond deze methode te extreem aangezien iedereen de verlichting moeten kunnen bereiken zonder dergelijke extremen toe te passen. Gedurende 3 jaar zwierf Siddhartha rond en verbleef steeds in korte periodes bij verschillende leraren. Uiteindelijk kwam hij terecht bij Uddãlaka Ãruni.  


In tegenstelling tot Ãlãra had Uddãlaka zijn inzichten niet verkregen door zelfinzicht, maar had hij ze van zijn vader Rãma ontvangen. Het zou leiden tot de toestand van 'zonder waarnemen noch niet-waarnemen'. In deze toestand werd ingezien dat leegte iets anders is dan lege ruimte en iets anders is dan bewustzijn. Alles wat overbleef, was waarneming en het object van waarneming. Siddhartha bereikte dit stadium in 15 dagen en merkte op dat het een zeer rustgevende en vredige meditatie was, maar dat het de problemen van leven en dood niet oploste. De rust was beperkt tot de duur van de meditatie, niet daarbuiten. Uddãlaka vond dat Siddhartha verlichting had bereikt en bood hem de leiding over de gemeenschap aan, maar Siddhartha weigerde.
In tegenstelling tot Ãlãra had Uddãlaka zijn visie niet door zelfinzicht verkregen, maar gekregen van zijn vader Rãma. Het zou leiden tot de toestand van 'zonder waarnemen noch niet-waarnemen'. In deze toestand wordt ingezien dat leegte iets anders is dan lege ruimte en iets anders is dan bewustzijn[30]. Alles wat overblijft is waarneming en het object van waarneming. Siddhartha bereikte dit stadium in 15 dagen en merkte op dat het een zeer rustgevende en vredige meditatie was maar dat het niet de problemen van leven en dood oploste. De rust besloeg alleen de duur van de meditatie, niet daarbuiten. Uddãlaka vond dat Siddhartha zijn verlichting bereikt had en bood hem de leiding over de gemeenschap aan die Siddhartha weigerde.


==Gautama de asceet==
==Gautama de asceet==

Navigatiemenu