Gautama de Boeddha
| Categorie indeling |
|---|
| Home - Boeddhisme - |
| Personen uit de pali canon |
| Personen uit de pali canon |
| Gautama de Boeddha
|
| Mannelijke leerlingen
|
| Alara Kalama |
| Ananda |
| Angulimala |
| Anuruddha |
| Assaji |
| Bimbisara |
| Devadatta |
| Kondanna |
| Maha Moggallana |
| Maha Kassapa |
| Pasenadi |
| Purna |
| Rahula |
| Sariputta |
| Subhuti |
| Suddhodana Gautama |
| Upali |
| Uddaka Ramaputta
|
| Vrouwelijke leerlinges
|
| Ambapali |
| Jivaka |
| Khema |
| Mahamaya |
| Pajapati Gotami |
| Uppalavanna |
| Visakha |
| Yasodhara |
De persoon die wij kennen als de Boeddha werd geboren als Siddhartha Gautama (563-483 v.Chr.) in mei 563 v.Chr. Zijn vader, Suddhodana Gautama, was de radja van Kapilavastu, de hoofdstad van de Sakya-clan in het huidige Nepal. De volledige naam van Siddhartha was daarom: “Siddhartha Gautama, telg van de Sakya-clan”.
Siddharta Gautama
De Sakya-clan was een samenwerkingsverband van meerdere nederzettingen, met Kapilavastu als bestuurs- en handelscentrum. In de tijd van Siddhartha’s geboorte telde deze stad ongeveer 8.000 inwoners, terwijl de gehele clan zo’n 180.000 mensen omvatte. Zijn vader, Suddhodana, was dus geen machtige koning met weelderige paleizen en talloze bedienden, zoals soms wordt voorgesteld. In veel biografieën over de Boeddha wordt hij ten onrechte als de zoon van een koning beschreven. De Sakya-clan was een republiek binnen een groter koninkrijk, met een eigen raadsvergadering. De leden kozen democratisch een radja, en Suddhodana vervulde deze rol. Interessant is dat de Sakya-clan bekendstond om haar egalitaire structuur, wat ongebruikelijk was in een tijd waarin monarchieën domineerden.
Suddhodana was getrouwd met twee zusters, die tevens zijn nichten waren, afkomstig uit Devadaha, een andere stad van de Sakya-clan. Mãyã Mahamãyã, de oudste zuster, was zijn eerste vrouw en de moeder van Siddhartha. Pajãpati (ook wel Mahapajãpati of Gotami genoemd) was zijn tweede vrouw en baarde twee kinderen: zoon Nanda en dochter Sundarinandã. In die tijd was het gebruikelijk dat een vrouw in haar ouderlijk huis beviel. Daarom vertrok Mãyã, hoogzwanger, naar Devadaha. Ze bereikte haar bestemming echter niet, want halverwege de reis braken haar vliezen, en de bevalling vond plaats net buiten Lumbini, in een tuin die later een heilige plaats werd. Waarschijnlijk reisde Mãyã niet alleen, maar met een gevolg, waaronder haar zus Pajãpati, die eveneens hoogzwanger was. Of er een vroedvrouw aanwezig was, is onbekend, maar de bevalling was zwaar. Direct na de geboorte keerde Mãyã terug naar Kapilavastu, waar ze kort daarna overleed.
jeugdjaren
Terug in Kapilavastu voorspelde de priester Asita Kaladevala, na het zien van de drie dagen oude Siddhartha, een bijzondere toekomst. Volgens de legende kreeg Asita tranen in zijn ogen, omdat hij besefte dat Siddhartha een groot spiritueel leraar zou worden, maar dat hijzelf te oud zou zijn om diens lessen te volgen. Hoewel Asita wist dat Siddhartha een spirituele leider zou worden, zei hij tegen Suddhodana dat de jongen een groot leider zou worden “op aards dan wel spiritueel niveau”. Twee dagen later voerden acht brahmaanse priesters de naamgevingsceremonie uit. De jongste priester, Kondañña, zou dertig jaar later een van de eerste volgelingen van de Boeddha worden. De ceremonie eindigde op de zesde dag na Siddhartha’s geboorte. Een dag later stierf Mãyã, en Pajãpati, die net was bevallen van Nanda, nam de opvoeding van Siddhartha op zich.
Siddhartha’s eerste ervaring met meditatie vond plaats toen hij negen jaar oud was, tijdens het ceremoniële eerste ploegen van het jaar, een ritueel om een goede oogst te waarborgen. Siddhartha en zijn vrienden waren aanwezig bij deze plechtigheid, waarbij vedische geschriften werden voorgedragen. Wetende dat het een langdurige ceremonie was, vroeg Siddhartha aan zijn pleegmoeder Pajãpati waarom dit nodig was. Zij legde uit dat de vedische geschriften heilig waren en door de schepper aan de brahmaanse priesters waren overgedragen. Toen hij vroeg waarom zijn vader de geschriften niet mocht voorlezen, antwoordde ze dat alleen degenen geboren in de brahmaanse kaste dit privilege hadden, zelfs machtige koningen moesten brahmanen inschakelen voor priesterlijke taken. Siddhartha kreeg toestemming om de ceremonie te verlaten en ging op een afstand naar het ploegen kijken.
Hij zag hoe de ploeg de aarde opensneed, wormen en ander grondleven doorkliefde, en hoe kleine vogels deze diertjes oppikten, terwijl een roofvogel een mus greep die net een worm had gevangen. Onder de schaduw van een djamboeboom ging hij zitten, kruiste zijn benen en verzonk spontaan in meditatie. Hij observeerde de cyclus van leven en dood en merkte op dat hij in de schaduw zat om te ontsnappen aan de brandende zon. Toen hij uit zijn meditatie kwam, zei hij tegen zijn pleegmoeder:
“Moeder, de wormen en de vogels hebben er niets aan dat wij de geschriften reciteren.”
Dit moment markeerde zijn vroege besef van de beperkingen van rituelen, een thema dat later centraal zou staan in zijn leringen.
puberjaren
Siddhartha’s twijfels over het brahmanisme groeiden tijdens zijn tienerjaren. Als waarschijnlijke toekomstige radja werd hij onderwezen in heilige geschriften zoals de Upanishaden, de Rigveda en de Atharvaveda. Hij had bijzondere interesse in deze teksten, maar begon vragen te stellen over de almacht van Brahman, de opperheerser van het heelal, en de exclusieve rol van brahmaanse priesters. De Veda’s, de bronteksten van het brahmanisme, beschreven offerformules, ceremonies en heilige handelingen, maar legden steeds meer nadruk op de precieze uitvoering van steeds complexer wordende rituelen. Gewone burgers durfden deze rituelen niet meer zelf uit te voeren uit angst voor goddelijke straf, waardoor brahmaanse priesters een monopolie op spirituele zaken kregen. Deze priesters beseften hun macht, die zelfs die van radja’s en koningen overtrof.
Gaandeweg werd het brahmanisme zo omgekeerd dat de goden afhankelijk leken van de offers van de priesters. Zonder de juiste rituelen waren de goden machteloos, en de priesters hielden alle touwtjes in handen. Siddhartha zag dit tijdens een uitstapje, toen hij een armoedige strohut passeerde waar een rouwbeklag plaatsvond. Hij hoorde dat de kostwinner was overleden na zware arbeid voor een brahmaanse priester, die als wederdienst voor het zuiveren van grond onder een nieuwe hut had geëist dat de man voor hem werkte. Door dagenlang stenen te dragen en hout te hakken werd de man ziek en stierf. Dit incident versterkte Siddhartha’s kritiek op de uitbuiting door brahmaanse priesters, een thema dat later in zijn leringen terugkwam.
trouwen
Siddhartha begon steeds vaker uitstapjes te maken naar kluizenaars, monniken en samana’s die kritisch stonden tegenover het brahmanisme en hun eigen spirituele weg zochten. In Sakya waren zulke vrijdenkers schaars, maar in het westelijke koninkrijk Kosala en het zuidelijke Magadha waren er velen. Siddhartha uitte zijn wens om naar deze gebieden te reizen en bij deze leraren te studeren. Zijn vader, Suddhodana, herinnerde zich de voorspelling van Asita dat Siddhartha een groot leider zou worden, “op aards dan wel spiritueel niveau”. Omdat Sakya een kleine republiek was die door Kosala werd bedreigd, hoopte Suddhodana dat Siddhartha een aardse leider zou worden. Hij maakte zich echter zorgen omdat Siddhartha uitblonk in alle vakken, behalve in militaire zaken, oorlogvoering en gevechtstechnieken. Suddhodana besprak dit met zijn jongere broer Dronodanaraja, de vader van Devadatta en Ananda. Deze adviseerde een huwelijk om Siddhartha’s aandacht te verleggen en hem strijdbaarder te maken. Pajãpati, die net was bevallen van haar dochter Sundarinandã, kreeg de taak een geschikte bruid te vinden. Zij koos Yasodhara, een volle nicht van Siddhartha en dochter van radja Suppabuddha, de broer van Pajãpati.
Yasodhara was een sociaal bewogen vrouw die hulpprogramma’s opzette voor armen en zieken en haar vader aanmoedigde tot betere zorg voor de lokale bevolking. Na hun huwelijk werkten Siddhartha en Yasodhara jarenlang samen om de levensstandaard van de bevolking te verbeteren. Toch groeide Siddhartha’s besef dat deze inspanningen het grote lijden – ziekte, ouderdom en dood – niet konden oplossen. Door zijn contacten met samana’s begreep hij dat alleen innerlijke rust weerstand kon bieden aan dit lijden. Hoe hij die rust kon bereiken, wist hij nog niet. In de jaren die volgden, realiseerde hij zich dat het zoeken naar innerlijke rust gelijkstond aan het zoeken naar verlichting, en dat dit niet mogelijk was zolang hij aspirant-radja bleef. Hij voelde druk van zijn vader om een groot leider te worden en van Yasodhara om een kind te krijgen. Het idee om samana te worden en verlichting te bereiken werd steeds aantrekkelijker. Een zoon zou de wensen van Pajãpati en Suddhodana deels vervullen, door een nieuwe opvolger te leveren.
Zijn verzaking
Na dertien jaar huwelijk kregen Siddhartha en Yasodhara op 29-jarige leeftijd een zoon; Rahula. Enkele weken tot maanden na diens geboorte verliet Siddhartha, met steun van zijn jeugdvriend Channa, zijn gezin om een samana te worden. De legende vertelt dat hij stiekem wegsloop, maar de Majjhima Nikaya weerlegt dit:
Toen ik nog Bodhisattva was, kreeg ik een gedachte: “Een benauwenis is het huiselijk leven, een stoffig pad, het samanaschap is de vrije hemel. Het is niet makkelijk voor iemand die thuis woont om de volmaakte volledige reine levenswandel der heiligheid te volvoeren. Als ik mij nu eens haar en baard zou afscheren, de gele gewaden zou omleggen en uit het huiselijk leven de thuisloosheid in zou trekken?” En ik, die nog jong was, een knaap met zwart haar, die in gezegende jeugd verkeerde, in de kracht van mijn leven, schoor mij, hoewel mijn ouders het er niet mee eens waren en tranen in de ogen hadden en weenden, haar en baard af, legde de gele gewaden om en trok uit het huis weg de huisloosheid in.
(Majjhima Nikaya 36, I, p.240).
Siddhartha reisde eerst naar Anupiyã, waar hij een week verbleef, en vervolgens naar Rãjagaha, waar hij koning Bimbisara ontmoette, die later een trouw volgeling en vriend zou worden. Kort daarna zocht hij de leraar Ãlãra Kãlãma op, al is onduidelijk of dit bewust was of toevallig. Ãlãra onderwees een yoga-achtige meditatie gericht op het bereiken van “de toestand van onbegrensde ruimte” en uiteindelijk “de toestand van de leegte”, waarin de geest de bron van alle verschijnselen wordt gezien. Siddhartha bereikte deze stadia binnen een maand, tot verbazing van Ãlãra, die hem voorstelde samen zijn gemeenschap te leiden. Siddhartha zag echter dat deze meditatietoestanden geen blijvende oplossing boden voor het lijden van ouderdom, ziekte en dood. Hij verliet Ãlãra en trok de Ganges over naar Magadha, een koninkrijk bekend om zijn diverse spirituele leraren. Hier ontmoette hij asceten die naakt leefden, hun lichaam verwaarloosden en alleen van bosproducten aten, omdat zij het lichaam als deel van het ego zagen. Siddhartha vond deze methode te extreem, omdat verlichting voor iedereen toegankelijk moest zijn zonder zulke ontberingen. Drie jaar lang zwierf hij rond en leerde kortstondig bij verschillende leraren, totdat hij Uddãka Ramaputta ontmoette. Uddãka’s leer, geërfd van zijn vader Rãma, leidde tot de toestand van “zonder waarnemen noch niet-waarnemen”. Siddhartha bereikte dit stadium in vijftien dagen, maar merkte dat deze vredige meditatie het lijden buiten de meditatie niet oploste. Hij weigerde Uddãka’s aanbod om zijn gemeenschap te leiden.
Gautama de asceet
Na vijf jaar studie bij leraren concludeerde Siddhartha dat hij verlichting via zelfinzicht moest vinden. Hij stak de rivier Neranjara over en arriveerde in Uruvela, aan de voet van de Dangsiri-berg, waar hij besloot langdurig te mediteren in de uitgestrekte wouden en grotten. De eenzaamheid viel hem zwaar; hij voelde angst voor wilde dieren en onbehagen in de nacht. Hij herhaalde alle geleerde technieken, waaronder die van de asceten, en besloot hun extreme methoden te proberen. In plaats van dagelijks te bedelen, deed hij dit nog maar eens per week en accepteerde alleen wat in zijn hand paste. Hij stopte met scheren, trok zijn haren uit en verwaarloosde zijn lichaam, met de opmerking:
“Het meeste vuil valt er vanzelf wel weer af.”
Hij leefde zelfs enige tijd op lijkenvelden en at onverteerde resten uit zijn eigen ontlasting en die van runderen, wat hij later “de grote vuilconsumptie” noemde. Dit extreme ascetisme wekte respect op, en hij kreeg vijf volgelingen: Kondañña, Bhaddiya, Vappa, Mahãnãma en Assaji, allen ex-leerlingen van Uddãlaka en zonen van brahmanen. Ze spraken af dat de eerste die verlichting bereikte, de anderen zou onderwijzen.
Tijdens een meditatie herinnerde Siddhartha de spontane meditatie uit zijn jeugd tijdens het ploegen. Hij besefte dat vreugde en ontspanning essentieel waren voor meditatie, en dat de ascetische methoden deze vreugde blokkeerden. Hij ontdekte dat er een andere vreugde bestaat, los van begeerte en ego, die voedend is voor lichaam en geest. Later formuleerde hij dit als volgt:
Met deze methode, langs de weg, door middel van deze harde ascese bereikte ik geen bijzondere kennis en visie, de edelen waardig, die de menselijke toestand overstijgt. En waarom niet? Omdat ik dat edele inzicht (pañña) niet bereikte, dat, als men het heeft, de uitweg blijkt te zijn en voor de betrokkene al gehele vernietiging van het lijden met zich meebrengt.
(Majjhima Nikaya 12, I, p. 81).
Na zes jaar ascese besloot hij weer normaal te eten en een samana te worden. Een gezonde geest in een gezond lichaam was nodig om te mediteren. Met de technieken van Ãlãra en Uddãlaka bracht hij zijn geest tot rust, en hij systematiseerde dit proces als de “vier fasen van verzinking”. Wat zijn leraren als eindpunt zagen, zag hij als beginpunt. Vanuit deze rust ging hij op zoek naar de bronnen van onrust, wat hij later “het drie weten” noemde, bereikt onder een Bodhi-boom tijdens drie nachtelijke meditatiesessies.
de 3 waken (het 3 weten)
- Eerste nachtwake: Siddhartha zag de wereld van verschijnselen, inclusief zijn eigen vorige levens. Hij zag een blad aan een boom, gevoed door water en aarde, dat viel en weer grondstof werd. Hij besefte dat geboorte en dood geen afzonderlijke gebeurtenissen zijn, maar deel uitmaken van onderlinge afhankelijkheid en zelfloosheid. Dit inzicht noemde hij vijiã.
- Tweede nachtwake: Hij zag dat lijden voortkomt uit het geloof in een blijvend zelf en bestendigheid. Dit inzicht noemde hij kamma (karma).
- Derde nachtwake: Hij zag dat karma het lijden veroorzaakt, dat dit lijden een oorzaak heeft, en dat deze oorzaak kan worden opgeheven via het 8-voudige pad: juist spreken, handelen, levensonderhoud, inspanning, opmerkzaamheid, concentratie, gedachte en begrijpen.
Na deze inzichten realiseerde hij:
Verzekerd ben ik van mijn verlossing, dit is mijn laatste geboorte, opnieuw ontstaan zal ik niet meer!
(Majjhima Nikaya 26, I, p. 167)
Hij begreep dat onwetendheid als een cipier het leven gevangen houdt in de cyclus van verschijnselen. Op 35-jarige leeftijd had hij verlichting bereikt en werd hij Gautama de Boeddha.
Gautama de Boeddha
De eerste vijf tot zeven weken na zijn verlichting verbleef Gautama in Uruvela, nabij Bodh Gaya, waar hij veel mediteerde. Hij worstelde met de vraag: “En wat nu?” Zijn zoektocht was gericht op het elimineren van lijden, maar hij twijfelde of zijn subtiele, ervaringsgerichte leer overdraagbaar was. Volgens sommige verhalen merkte hij dat hij zijn inzichten kon overdragen aan kinderen, wat hem inspireerde. Tijdens meditaties onder verschillende bomen, zoals de Mucalinda-boom waar een slang hem beschermde tegen regen, besloot hij zijn leer te verspreiden. Hij observeerde een lotusvijver en zag hoe elke bloem uniek was in groei, vorm en kleur. Dit bracht hem tot het inzicht dat zijn leer op verschillende manieren moest worden uitgelegd, afhankelijk van de toehoorder.
Hij wilde zijn oude leraren Ãlãra en Uddãka als eersten onderwijzen, maar hoorde van de asceet Upaka dat beiden recent waren overleden. Daarom zocht hij zijn vijf ascetische vrienden op in het hertenkamp van Sarnath, nabij Varanasi. Aanvankelijk negeerden zij hem, omdat hij het ascetisme had opgegeven, maar zijn uitstraling van innerlijke vrede wekte hun interesse. Tijdens zijn ontmoeting met Upaka merkte deze zijn rust op en vroeg wie zijn leraar was. Gautama antwoordde trots: Moge het zo zijn, broeder!
Toen zijn vrienden in Isipathana hem als “broeder” aanspraken, protesteerde hij: Monniken, spreek de tathãgata (zogekomende) niet aan met de naam en de aanduiding broeder (alsof hij jullie gelijke is). Een arhat (heilige), monniken, is de zogekomende, een volkomen ontwaakte!
Dit weerspiegelt zijn overtuiging dat een verlicht persoon fundamenteel verschilt van niet-verlichte mensen, hoewel hij als bedelmonnik geen privileges aannam. Sommige bronnen suggereren dat deze uitspraken een zweem van egocentrisme tonen, maar ze benadrukken vooral zijn unieke spirituele status.
zijn eerste lezing
In zijn eerste lezing, de Dhamma Cakka Pavattana Sutta, legde Gautama de 4 edele waarheden uit en waarschuwde hij tegen twee uitersten:
Monniken, er zijn twee uitersten die niet in praktijk gebracht dienen te worden door iemand die het wereldse leven verlaten heeft. Welke zijn deze twee? Er is beoefening van het najagen van plezier in de objecten van zintuiglijke begeerten, hetgeen minderwaardig, laag, vulgair, verachtelijk is, en niet naar het goede leidt. En er is beoefening van zelfkwelling, hetgeen pijnlijk is, verachtelijk, en niet naar het goede leidt
(Mahãvagga van de Vin I, 6, 7 + 19-22).
Kondañña begreep als eerste de leer en werd de eerste bhikkhu. Gautama introduceerde ook de leer van het “niet-ik” (anatta), waarin hij stelde dat er geen blijvende ziel of persoonlijkheid bestaat, een radicale breuk met de toenmalige opvattingen. Binnen drie maanden bereikten alle vijf asceten verlichting en vormden de eerste Sangha, een gemeenschap van harmonieuze en aandachtige beoefenaars.
Kort daarna ontmoette Gautama Yasa, de zoon van een rijke koopman uit Varanasi, die verveeld was door rijkdom en zich aansloot als zesde bhikkhu. Yasa’s vader werd de eerste upãsaka (lekenvolgeling) door de drie-eenheid aan te roepen:
Ik neem toevlucht tot de Boeddha, ik neem toevlucht tot de dharma, ik neem toevlucht tot de sangha.
Yasa’s moeder werd de eerste vrouwelijke upãsaka, en vele anderen volgden. Binnen korte tijd telde de Sangha 61 bhikkhu’s, die allemaal verlichting bereikten.
zijn karakter
Gautama de Boeddha wordt vaak gezien als een liefdevolle, altijd glimlachende figuur, maar dit beeld klopt niet. In zijn tijd werd hij door velen, vooral brahmanen, als een luis in de pels beschouwd. De brahmanen positioneerden zichzelf als onmisbare tussenpersonen tussen burgers en goden, wier rituelen en offers essentieel waren. Gautama stelde dat lijden door onszelf wordt geschapen en dat de oplossing in onszelf ligt, niet bij goden die volgens hem niet bestaan. Dit ondermijnde het bestaansrecht van de brahmanen, wat een zegen was voor burgers die niet langer dure rituelen hoefden te betalen of gechanteerd werden. Zijn leer vond veel aanhang bij burgers en zelfs bij radja’s en koningen, die hun macht niet langer hoefden te delen met priesters, mits ze goed bestuur leverden. Fondsen die voorheen naar brahmanen gingen, werden nu gebruikt voor dharmaruimten, voedsel, pijen, medische posten en scholen, in lijn met het achtvoudige pad. De brahmanen zagen hun invloedssfeer afnemen. Gautama bekritiseerde hun rituele wassingen en offers: Denk niet, o brahmaan, dat je door het leggen van brandhout reinheid verkrijgt. Dit is slechts een uiterlijkheid. Wie loutering nastreeft met uiterlijke middelen, die wordt niet gelouterd, zo zeggen de wijzen (*Samyuttanikãya 7, I, 9).
Hij verklaarde alle vormen van cultus overbodig, wat hem impopulair maakte bij sommige groepen. Er waren meerdere moordaanslagen op hem, en pogingen om hem in diskrediet te brengen waren frequent. In 528 v.Chr. verbleef Gautama tijdens de moesson in Isipathana, de enige keer dat hij daar zijn retraite hield. Aan het einde van de moesson stuurde hij de arhat’s als missionarissen alle richtingen uit, met toestemming om nieuwe leden in de Sangha op te nemen via de drie-voudige toevlucht. Zo werd de Sangha onafhankelijk van zijn aanwezigheid. Na Isipathana reisde hij naar Uruvela om families te bedanken die hem tijdens zijn ascese hadden geholpen. Onderweg nam hij meerdere mensen op in de Sangha. In Uruvela ontmoette hij drie jatila-ascetenbroers, die elk honderden volgelingen hadden en een vuur- en watercultus beoefenden. Gautama maakte duidelijk dat hij zichzelf niet als hun gelijke zag: Kassapa, je bent noch een heilige, noch iemand die de weg naar heiligheid betreden heeft. Jouw levenswandel is niet van dien aard dat je er heilig door kunt worden of (zelfs maar) de weg naar heiligheid betreden kunt.
De broers en hun volgelingen sloten zich aan bij de Sangha, maar de snelle groei bracht logistieke uitdagingen. De groep werd opgesplitst om de druk op lokale gemeenschappen te verlichten. Gautama hield de Soetra van het Vuur om de asceten te onderwijzen. Om de Sangha te ondersteunen, reisde hij naar Rãjagaha, waar koning Bimbisãra het park Veluvana schonk voor het eerste klooster. Dit markeerde de oprichting van het eerste boeddhistische koninkrijk. Onder de nieuwe bhikkhu’s waren Sãriputta en Moggallãna, die snel arhat werden en veertig jaar lang Gautama’s belangrijkste leerlingen bleven.
In 527 v.Chr. keerde Gautama terug naar Kapilavastu, waar de ontvangst gespannen was. Hij deed eerst een bedelronde voordat hij zijn familie bezocht. Zijn vader, Suddhodana, uitte verwijten, en Yasodhara , acht jaar lang een “monniksweduwe”, stuurde Rahula om zijn erfdeel op te eisen. Gautama liet Rahula inwijden als novice onder Sãriputta, wat Suddhodana’s woede opwekte, omdat hij nu geen opvolger meer had. Toen ook Nanda, Gautama’s halfbroer, bhikkhu werd, dwong Suddhodana een regel af: geen minderjarigen mochten zonder ouderlijke toestemming toetreden tot de Sangha. Dit was de enige concessie die Gautama ooit deed aan iemand buiten de Sangha. Hij liet echter iedereen toe, ongeacht de gevolgen voor achterblijvende gezinnen, omdat hij verlichting boven wereldse verplichtingen stelde. Zeven personen uit Sakya, waaronder neven Devadatta, Anuruddha en Ānanda, sloten zich later aan bij de Sangha in Anupiyã. Ānanda werd Gautama’s vaste assistent en schreef de meeste soetra’s op.
Gautama de mahãpurisa
Gautama ging zelden in op wat verlichting precies inhield, maar gaf toe de hoogste staat te hebben bereikt. Op vragen antwoordde hij: “Volg het pad en ervaar het zelf.” Toch weten we uit biografische bronnen dat verlichte personen ziek konden zijn, zoals toen Gautama in 526 v.Chr. door arts Jivaka werd behandeld voor “disharmonie van de lichaamsvochten” met oliemassages en laxeermiddelen. Dit ontkracht het idee dat een verlichte een “superpersoon” is. In 524 v.Chr. werd Gautama “mahãpurisa” (supermens) genoemd, vooral na een bezoek aan Vesãli, waar hij werd gevraagd de droogte te bestrijden. Toevallig begon het te regenen bij zijn aankomst, wat als een wonder werd gezien. Met hulp van geleerden zoals Anãnda en Jivaka stelde hij hygiëneregels op om cholera-uitbraken te voorkomen, wat zijn status versterkte. Hij keerde na veertien dagen terug naar Rãjagaha om overdreven verering te vermijden.
de Sangha
De Sangha groeide snel, met donaties van land en kloosters, zoals de mangoboomgaard van Jivaka en het park van prins Jeta, gekocht door bankier Sudatta Anãthapindika. Koning Pasenadi van Kosala steunde het boeddhisme royaal, wat kritiek opriep van zijn ministers. Gautama liet ook de onaanraakbare Sunita toe tot de Sangha, een revolutionaire daad die tot oproer leidde. Koning Pasenadi zag echter dat de dharma voor iedereen toegankelijk was. Vrouwen werden aanvankelijk niet toegelaten tot de Sangha. In 524 v.Chr., na Suddhodana’s dood, vroeg Pajãpati tweemaal om bhikkhuni te worden, maar Gautama weigerde. Pajãpati schoor haar hoofd, trok een pij aan en reisde met andere vrouwen naar Vesãli. Ananda pleitte voor hun toelating, en Gautama gaf toe na bevestiging dat vrouwen verlichting konden bereiken. Hij stelde echter acht extra regels op voor bhikkhuni’s, zoals het erkennen van bhikkhu’s als meerderen, om weerstand binnen en buiten de Sangha te beperken. Deze regels waren niet discriminatoir bedoeld, maar pragmatisch om de dharma acceptabel te maken in een patriarchale samenleving. Gautama voorspelde dat de dharma door de toelating van vrouwen slechts 500 in plaats van 1000 jaar zou bestaan, een twijfel die hij bleef houden.
De Sangha groeide, maar het idee van een vredige gemeenschap zonder problemen is onjuist. In het Ghosita-klooster in Kosambi leidde een conflict over een hygiëneregel tot een scheuring. Een bhikkhu werd uitgesloten wegens het niet verversen van een waterreservoir, maar zijn populariteit zorgde ervoor dat medestanders dreigden de Sangha te verlaten. Dit escaleerde tot handgemeen, maar Gautama wist het conflict te beslechten. De groei van de Sangha vereiste meer regels, wat tegen de kern van de dharma inging, die juist om totale overgave vraagt. Voor gevorderde leerlingen introduceerde Gautama de tantra, of “geheime leer”, gebaseerd op de drie dharmazegels:
Deze inzichten maakten regels overbodig en vereisten diepe, meditatieve transformatie.
Gautama de Tathagata
In 515 v.Chr. telde de Sangha achttien kloosters. Rahula werd op 20-jarige leeftijd bhikkhu, en Gautama besloot elke moesson in Savatthi door te brengen, met Ananda als zijn vaste assistent die zijn lezingen opschreef. Hij introduceerde de Satipatthana Sutta, de basis van Vipassana meditatie. De opname van de seriemoordenaar Angulimala, die het geweld afzwoer, versterkte de eerbied voor de Sangha. Gautama kreeg bijnamen zoals Sakyamuni en gebruikte zelf vaak “Tathagata” om “ik” te vermijden.
Op 70-jarige leeftijd merkte Gautama dat zijn roem hem beperkte. Hij liet lezingen steeds meer over aan Sãriputta, Moggallãna en Mahã Kassapa. In 491 v.Chr. veroorzaakte Devadatta een tweede scheuring door de Sangha te willen overnemen. Gautama noemde hem een “khelasika” (speekselslikker) en waarschuwde:
Devadatta begaat een zeer ernstige misdaad; het zal hem naar de Avici niraya voeren. Voor een goed mens is het makkelijk om goede daden te doen, en moeilijk om slechte daden te doen; maar voor een slecht iemand, is het makkelijk om slechte dingen te doen en moeilijk om het goede te doen. In het leven is het inderdaad makkelijk om iets te doen dat slecht is en geen voordeel brengt, maar het is moeilijk om datgene te doen dat goed is en voordeel brengt.
Devadatta probeerde driemaal Gautama te vermoorden, maar faalde. Hij stelde vijf strengere regels voor, zoals vegetarisme, maar Gautama wees deze af als niet verplicht, omdat bhikkhu’s moesten accepteren wat ze kregen. Devadatta vertrok met 500 bhikkhu’s, maar velen keerden later terug. Gautama beantwoordde vaak geen filosofische vragen, zoals in een gesprek met asceet Uttiya. Hij legde Ananda uit dat alleen praktische vragen over meditatie relevant zijn, omdat doctrines het inzicht in zelfloosheid kunnen verhinderen.
Zijn overlijden
In 484 v.Chr., op 79-jarige leeftijd, werd Gautama ernstig ziek tijdens de moesson. Ananda en anderen vreesden voor zijn dood en vroegen wie de Sangha zou leiden. Gautama weigerde een opvolger aan te wijzen: Misschien Ananda, komt bij één van jullie deze gedachte op: “Het woord van de leraar is heengaan; wij hebben geen leraar meer.” Maar dat moet niet zo gezien worden. De leer en de discipline, die door mij onderwezen en uiteengezet zijn, die zijn na mijn heengaan jullie leraar (*Dighanikãya 16, 6, I).
Hij herstelde en reisde naar het noorden. In Pãvã at hij bij smid Cunda een maaltijd met sukaramaddava (mogelijk varkensvlees), die hij verdacht vond. Hij at zelf, maar verbood zijn volgelingen ervan te eten. Kort daarna kreeg hij hevige buikkrampen en diarree. Nabij Kusinãrã rustte hij en droeg Ananda op Cunda geen verwijten te maken. Hij gaf instructies voor zijn crematie en herhaalde dat de dharma de enige leider was. Zijn laatste woorden waren:
Welaan dan, monniken, ik zeg jullie, wat de mens bezielt, is aan vergankelijkheid onderhevig; streeft niet aflatend (naar het onvergankelijke, het nirvana).
(*Dighanikãya 16, 6, 7).
Gautama de Boeddha stierf in de maand vesãkha in 483 v.Chr.
De 29 Boeddha's van Theravāda
De Pali-literatuur van de Theravāda-traditie bevat verhalen over 29 Boeddha's. In landen waar het Theravāda-boeddhisme door de meerderheid van de mensen wordt beoefend, zoals Sri Lanka, Cambodja, Laos, Burma, Thailand, is het gebruikelijk dat boeddhisten uitgebreide festivals houden, vooral tijdens het mooie weerseizoen, als eerbetoon aan de 29 beschreven Boeddha's. in de Buddhavamsa is een tekst die het leven beschrijft van Gautama de Boeddha en de 27 Boeddha's die hem voorgingen, samen met de toekomst Maitreya Boeddha. De Buddhavamsa maakt deel uit van de Khuddaka Nikāya, die op zijn beurt weer deel uitmaakt van de Sutta Piṭaka. De Sutta Piṭaka is een van de drie hoofdsecties van de Pali-Canon.
De eerste drie van deze boeddha's; Tanhankara Boeddha, Medhankara Boeddha en Saranankara Boeddha en leefden vóór de tijd van Dipankara Boeddha. Deze vierde Boeddha is vooral belangrijk, aangezien hij de Boeddha was die niyatha vivarana (voorspelling van toekomstige Boeddhaschap) gaf aan de brahmaanse jeugd die in de verre toekomst de bodhisattva Gautama de Boeddha zou worden. Na Dipankara Boeddha waren er nog 24 Boeddha's mythische Boeddha's voor de historische, Gautama de Boeddha.
Veel boeddhisten brengen ook hulde aan de toekomstige (en 29e) Boeddha, Metteyya. Volgens de boeddhistische geschriften zal Metteya een opvolger zijn van Gautama die op aarde zal verschijnen, volledige verlichting zal bereiken en de zuivere Dharma zal onderwijzen . De profetie van de komst van Metteyya is te vinden in de canonieke literatuur van alle boeddhistische sekten ( Theravada, Mahayana en Vajrayana), en wordt door de meeste boeddhisten aanvaard als een verklaring over een gebeurtenis die zal plaatsvinden wanneer de Dharma zal zijn vergeten op Jambudvipa (het aardse rijk, waar gewone mensen leven).
| Naam (Pali) | Geboorteplaats | Vader en moeder | Verlichtingsboom | Benaming | Tijdsvak | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Tanhankara Boeddha | King Sunandha and Queen Sunandhaa | Rukkaththana | Saramanda kalpa | ||
| 2 | Medhankara Boeddha | Yaghara | Sudheva and Yasodhara | Saramanda kalpa | ||
| 3 | Saranankara Boeddha | Vipula | Sumangala and Yasawathi | Saramanda kalpa | ||
| 4 | Dipankara Boeddha | Sudheva and Sumedhaya | Pipphala | Saramanda kalpa | ||
| 5 | Kaundinya Boeddha | Sunanda and Sujata | Salakalyana | |||
| 6 | Mangala Boeddha | Uttaranagara | Uttara en Uttara | A naga | ||
| 7 | Sumana Boeddha | Sudassana and Sirima | A naga | |||
| 8 | Revata Boeddha | Sudhannawatinagara | Vipala and Vipula | A naga | ||
| 9 | Sobhita Boeddha | Sudhammanagara | Sudhammanagara en Sudhammanagara | A naga | ||
| 10 | Anomadassi Boeddha | Chandawatinagara | Yasava and Yasodara | Ajjuna | Vara kalpa | |
| 11 | Paduma Boeddha | Champayanagara | Asama en Asama | Salala | Vara kalpa | |
| 12 | Narada Boeddha | Dhammawatinagara | King Sudheva and Anopama | Sonaka | Vara kalpa | |
| 13 | Padumuttara Boeddha | Anurula and Sujata | Salala | Vara kalpa | ||
| 14 | Sumedha Boeddha | Sumedha en Sumedha | Nipa | Manda kalpa | ||
| 15 | Sujata Boeddha | Uggata and Pabbavati | Welu | Manda kalpa | ||
| 16 | Piyadassi Boeddha | Sudata and Subaddha | Kakudha | Manda Kalpa | ||
| 17 | Atthadassi Boeddha | Sonanagara | Sagara and Sudassana | Champa | Manda Kalpa | |
| 18 | Dhammadassi Boeddha | Suranamaha and Sunanada | Bimbajala | Manda kalpa | ||
| 19 | Siddhattha Boeddha | Udeni and Suphasa | Kanihani | Manda kalpa | ||
| 20 | Tissa Boeddha | Janasando and Paduma | Assana | Manda kalpa | ||
| 21 | Phussa Boeddha | Jayasena and Siremaya | Amalaka | Manda Kalpa | ||
| 22 | Vispassi Boeddha | Vipassi en Vipassi | Pāṭalī | 1e van de 7 boeddha's uit de oudheid | leefde 91 tijdperken geleden | |
| 23 | Sikhin Boeddha | Arunavatti and Paphavatti | Puṇḍarīka | 2e van de 7 boeddha's uit de oudheid | leefde 31 tijdperken geleden | |
| 24 | Vessabhu Boeddha | Suppalittha and Yashavati | Sāla | 3e van de 7 boeddha's uit de oudheid | leefde 31 tijdperken geleden | |
| 25 | Kakusandha Boeddha | Aggidatta, the purohita Brahman of King Khema, and Visakha | Sirīsa | 4e van de 7 boeddha's uit de oudheid | 1e Boeddha in huidig tijdperk | |
| 26 | Kanakamuni Boeddha | Yaññadatta, a Brahman, and Uttara | Udumbara | 5e van de 7 boeddha's uit de oudheid | 2e Boeddha in huidig tijdperk | |
| 27 | Kassapa Boeddha | Brahmadatta, a Brahman, and Dhanavati | Nigrodha | 6e van de 7 boeddha's uit de oudheid | 3e Boeddha in huidig tijdperk | |
| 28 | Gautama de Boeddha | Śuddhodana en Maya | Assattha | 7e van de 7 boeddha's uit de oudheid | 4e Boeddha in huidig tijdperk | |
| 29 | Maitreya Boeddha | Subrahma and Brahmavati | Nāga | toekomstige Boeddha | 5e Boeddha in huidig tijdperk |
Misverstanden over de Boeddha (film)
Literatuurlijst
- De historische Boeddha, Asoka, 9789056702205
- De schatten van de Boeddha, Tom Lowenstein, H.F. Ullmann, 9783833146848
- Het evangelie van Boeddha, Paul Carus, Ankh-Hermes, 9020233076
- In de voetsporen van de Boeddha, Thich Nhat hanh, Altamira-Becht, 9789069637075
- Lexicon Boeddhisme, Ingrid Fischer-Schreiber, Frank-Karl Ehrhard, Michael S. Diener, Asoka, 9789789056701710
- Lopen in het voetspoor van de Boeddha, Maarten Olthof, Ten Have, 9789025959272