Dharma-Lotus is een boeddhistische organisatie met 6 vestigingen in Nederland en een | retraitecentrum (Ekãyano) in Noord-Frankrijk | Mail.png | WA-logo.png | Abonneer op onze Nieuwsbrief

Gautama de Boeddha: verschil tussen versies

Naar navigatie springen Naar zoeken springen
6 bytes toegevoegd ,  24 mei 2025 03:21
geen bewerkingssamenvatting
Geen bewerkingssamenvatting
Regel 36: Regel 36:


===trouwen===
===trouwen===
Siddhartha begon steeds vaker uitstapjes te maken naar kluizenaars, monniken en samana’s die kritisch stonden tegenover het brahmanisme en hun eigen spirituele weg zochten. In Sakya waren zulke vrijdenkers schaars, maar in het westelijke koninkrijk Kosala en het zuidelijke Magadha waren er velen. Siddhartha uitte zijn wens om naar deze gebieden te reizen en bij deze leraren te studeren. Zijn vader, Suddhodana, herinnerde zich de voorspelling van Asita dat Siddhartha een groot leider zou worden, “op aards dan wel spiritueel niveau”. Omdat Sakya een kleine republiek was die door Kosala werd bedreigd, hoopte Suddhodana dat Siddhartha een aardse leider zou worden. Hij maakte zich echter zorgen omdat Siddhartha uitblonk in alle vakken, behalve in militaire zaken, oorlogvoering en gevechtstechnieken. Suddhodana besprak dit met zijn jongere broer Dronodanaraja, de vader van [[Devadatta]] en [[Ananda]]. Deze adviseerde een huwelijk om Siddhartha’s aandacht te verleggen en hem strijdbaarder te maken. Pajãpati, die net was bevallen van haar dochter Sundarinandã, kreeg de taak een geschikte bruid te vinden. Zij koos Bhaddakaccãnã, een volle nicht van Siddhartha en dochter van radja Suppabuddha, de broer van Pajãpati.  
Siddhartha begon steeds vaker uitstapjes te maken naar kluizenaars, [[monnik|monniken]] en samana’s die kritisch stonden tegenover het brahmanisme en hun eigen spirituele weg zochten. In Sakya waren zulke vrijdenkers schaars, maar in het westelijke koninkrijk Kosala en het zuidelijke Magadha waren er velen. Siddhartha uitte zijn wens om naar deze gebieden te reizen en bij deze leraren te studeren. Zijn vader, Suddhodana, herinnerde zich de voorspelling van Asita dat Siddhartha een groot leider zou worden, “op aards dan wel spiritueel niveau”. Omdat Sakya een kleine republiek was die door Kosala werd bedreigd, hoopte Suddhodana dat Siddhartha een aardse leider zou worden. Hij maakte zich echter zorgen omdat Siddhartha uitblonk in alle vakken, behalve in militaire zaken, oorlogvoering en gevechtstechnieken. Suddhodana besprak dit met zijn jongere broer Dronodanaraja, de vader van [[Devadatta]] en [[Ananda]]. Deze adviseerde een huwelijk om Siddhartha’s aandacht te verleggen en hem strijdbaarder te maken. Pajãpati, die net was bevallen van haar dochter Sundarinandã, kreeg de taak een geschikte bruid te vinden. Zij koos [[Yasodhara]], een volle nicht van Siddhartha en dochter van radja Suppabuddha, de broer van Pajãpati.  


Bhaddakaccãnã was een sociaal bewogen vrouw die hulpprogramma’s opzette voor armen en zieken en haar vader aanmoedigde tot betere zorg voor de lokale bevolking. Na hun huwelijk werkten Siddhartha en Bhaddakaccãnã jarenlang samen om de levensstandaard van de bevolking te verbeteren. Toch groeide Siddhartha’s besef dat deze inspanningen het grote lijden – ziekte, ouderdom en dood – niet konden oplossen. Door zijn contacten met samana’s begreep hij dat alleen innerlijke rust weerstand kon bieden aan dit lijden. Hoe hij die rust kon bereiken, wist hij nog niet. In de jaren die volgden, realiseerde hij zich dat het zoeken naar innerlijke rust gelijkstond aan het zoeken naar [[verlichting]], en dat dit niet mogelijk was zolang hij aspirant-radja bleef. Hij voelde druk van zijn vader om een groot leider te worden en van Bhaddakaccãnã om een kind te krijgen. Het idee om samana te worden en verlichting te bereiken werd steeds aantrekkelijker. Een zoon zou de wensen van Pajãpati en Suddhodana deels vervullen, door een nieuwe opvolger te leveren.
Yasodhara was een sociaal bewogen vrouw die hulpprogramma’s opzette voor armen en zieken en haar vader aanmoedigde tot betere zorg voor de lokale bevolking. Na hun huwelijk werkten Siddhartha en Yasodhara jarenlang samen om de levensstandaard van de bevolking te verbeteren. Toch groeide Siddhartha’s besef dat deze inspanningen het grote lijden – ziekte, ouderdom en dood – niet konden oplossen. Door zijn contacten met samana’s begreep hij dat alleen innerlijke rust weerstand kon bieden aan dit lijden. Hoe hij die rust kon bereiken, wist hij nog niet. In de jaren die volgden, realiseerde hij zich dat het zoeken naar innerlijke rust gelijkstond aan het zoeken naar [[verlichting]], en dat dit niet mogelijk was zolang hij aspirant-radja bleef. Hij voelde druk van zijn vader om een groot leider te worden en van Yasodhara om een kind te krijgen. Het idee om samana te worden en verlichting te bereiken werd steeds aantrekkelijker. Een zoon zou de wensen van Pajãpati en Suddhodana deels vervullen, door een nieuwe opvolger te leveren.


==Zijn verzaking==
==Zijn verzaking==


Na dertien jaar huwelijk kregen Siddhartha en Bhaddakaccãnã op 29-jarige leeftijd een zoon; [[Rahula]]. Enkele weken tot maanden na diens geboorte verliet Siddhartha, met steun van zijn jeugdvriend Channa, zijn gezin om een samana te worden. De legende vertelt dat hij stiekem wegsloop, maar de Majjhima Nikaya weerlegt dit:  
Na dertien jaar huwelijk kregen Siddhartha en Yasodhara op 29-jarige leeftijd een zoon; [[Rahula]]. Enkele weken tot maanden na diens geboorte verliet Siddhartha, met steun van zijn jeugdvriend Channa, zijn gezin om een samana te worden. De legende vertelt dat hij stiekem wegsloop, maar de Majjhima Nikaya weerlegt dit:  


''Toen ik nog Bodhisattva was, kreeg ik een gedachte: “Een benauwenis is het huiselijk leven, een stoffig pad, het samanaschap is de vrije hemel. Het is niet makkelijk voor iemand die thuis woont om de volmaakte volledige reine levenswandel der heiligheid te volvoeren. Als ik mij nu eens haar en baard zou afscheren, de gele gewaden zou omleggen en uit het huiselijk leven de thuisloosheid in zou trekken?” En ik, die nog jong was, een knaap met zwart haar, die in gezegende jeugd verkeerde, in de kracht van mijn leven, schoor mij, hoewel mijn ouders het er niet mee eens waren en tranen in de ogen hadden en weenden, haar en baard af, legde de gele gewaden om en trok uit het huis weg de huisloosheid in.</br>
''Toen ik nog Bodhisattva was, kreeg ik een gedachte: “Een benauwenis is het huiselijk leven, een stoffig pad, het samanaschap is de vrije hemel. Het is niet makkelijk voor iemand die thuis woont om de volmaakte volledige reine levenswandel der heiligheid te volvoeren. Als ik mij nu eens haar en baard zou afscheren, de gele gewaden zou omleggen en uit het huiselijk leven de thuisloosheid in zou trekken?” En ik, die nog jong was, een knaap met zwart haar, die in gezegende jeugd verkeerde, in de kracht van mijn leven, schoor mij, hoewel mijn ouders het er niet mee eens waren en tranen in de ogen hadden en weenden, haar en baard af, legde de gele gewaden om en trok uit het huis weg de huisloosheid in.</br>
(Majjhima Nikaya 36, I, p.240).''
(Majjhima Nikaya 36, I, p.240).''


Siddhartha reisde eerst naar Anupiyã, waar hij een week verbleef, en vervolgens naar Rãjagaha, waar hij koning Bimbisara ontmoette, die later een trouw volgeling en vriend zou worden. Kort daarna zocht hij de leraar Ãlãra Kãlãma op, al is onduidelijk of dit bewust was of toevallig. Ãlãra onderwees een yoga-achtige meditatie gericht op het bereiken van “de toestand van onbegrensde ruimte” en uiteindelijk “de toestand van de leegte”, waarin de geest de bron van alle verschijnselen wordt gezien. Siddhartha bereikte deze stadia binnen een maand, tot verbazing van Ãlãra, die hem voorstelde samen zijn gemeenschap te leiden. Siddhartha zag echter dat deze meditatietoestanden geen blijvende oplossing boden voor het lijden van ouderdom, ziekte en dood. Hij verliet Ãlãra en trok de Ganges over naar Magadha, een koninkrijk bekend om zijn diverse spirituele leraren. Hier ontmoette hij asceten die naakt leefden, hun lichaam verwaarloosden en alleen van bosproducten aten, omdat zij het lichaam als deel van het ego zagen. Siddhartha vond deze methode te extreem, omdat verlichting voor iedereen toegankelijk moest zijn zonder zulke ontberingen. Drie jaar lang zwierf hij rond en leerde kortstondig bij verschillende leraren, totdat hij Uddãlaka Ãruni ontmoette. Uddãlaka’s leer, geërfd van zijn vader Rãma, leidde tot de toestand van “zonder waarnemen noch niet-waarnemen”. Siddhartha bereikte dit stadium in vijftien dagen, maar merkte dat deze vredige meditatie het lijden buiten de meditatie niet oploste. Hij weigerde Uddãlaka’s aanbod om zijn gemeenschap te leiden.
Siddhartha reisde eerst naar Anupiyã, waar hij een week verbleef, en vervolgens naar Rãjagaha, waar hij koning Bimbisara ontmoette, die later een trouw volgeling en vriend zou worden. Kort daarna zocht hij de leraar [[Alara Kalama|Ãlãra Kãlãma]] op, al is onduidelijk of dit bewust was of toevallig. Ãlãra onderwees een yoga-achtige meditatie gericht op het bereiken van “de toestand van onbegrensde ruimte” en uiteindelijk “de toestand van de leegte”, waarin de geest de bron van alle verschijnselen wordt gezien. Siddhartha bereikte deze stadia binnen een maand, tot verbazing van Ãlãra, die hem voorstelde samen zijn gemeenschap te leiden. Siddhartha zag echter dat deze meditatietoestanden geen blijvende oplossing boden voor het lijden van ouderdom, ziekte en dood. Hij verliet Ãlãra en trok de Ganges over naar Magadha, een koninkrijk bekend om zijn diverse spirituele leraren. Hier ontmoette hij asceten die naakt leefden, hun lichaam verwaarloosden en alleen van bosproducten aten, omdat zij het lichaam als deel van het ego zagen. Siddhartha vond deze methode te extreem, omdat verlichting voor iedereen toegankelijk moest zijn zonder zulke ontberingen. Drie jaar lang zwierf hij rond en leerde kortstondig bij verschillende leraren, totdat hij Uddãlaka Ãruni ontmoette. Uddãlaka’s leer, geërfd van zijn vader Rãma, leidde tot de toestand van “zonder waarnemen noch niet-waarnemen”. Siddhartha bereikte dit stadium in vijftien dagen, maar merkte dat deze vredige meditatie het lijden buiten de meditatie niet oploste. Hij weigerde Uddãlaka’s aanbod om zijn gemeenschap te leiden.


==Gautama de asceet==
==Gautama de asceet==
Regel 102: Regel 102:
Kort daarna ontmoette Gautama Yasa, de zoon van een rijke koopman uit Varanasi, die verveeld was door rijkdom en zich aansloot als zesde bhikkhu. Yasa’s vader werd de eerste upãsaka (lekenvolgeling) door de drie-eenheid aan te roepen:
Kort daarna ontmoette Gautama Yasa, de zoon van een rijke koopman uit Varanasi, die verveeld was door rijkdom en zich aansloot als zesde bhikkhu. Yasa’s vader werd de eerste upãsaka (lekenvolgeling) door de drie-eenheid aan te roepen:


''Ik neem toevlucht tot de Boeddha, ik neem toevlucht tot de dharma, ik neem toevlucht tot de sangha.''
''Ik neem toevlucht tot de Boeddha, ik neem toevlucht tot de [[dharma]], ik neem toevlucht tot de sangha.''


Yasa’s moeder werd de eerste vrouwelijke upãsaka, en vele anderen volgden. Binnen korte tijd telde de Sangha 61 bhikkhu’s, die allemaal verlichting bereikten.
Yasa’s moeder werd de eerste vrouwelijke upãsaka, en vele anderen volgden. Binnen korte tijd telde de Sangha 61 bhikkhu’s, die allemaal verlichting bereikten.
Regel 116: Regel 116:
Kassapa, je bent noch een heilige, noch iemand die de weg naar heiligheid betreden heeft. Jouw levenswandel is niet van dien aard dat je er heilig door kunt worden of (zelfs maar) de weg naar heiligheid betreden kunt.
Kassapa, je bent noch een heilige, noch iemand die de weg naar heiligheid betreden heeft. Jouw levenswandel is niet van dien aard dat je er heilig door kunt worden of (zelfs maar) de weg naar heiligheid betreden kunt.


De broers en hun volgelingen sloten zich aan bij de Sangha, maar de snelle groei bracht logistieke uitdagingen. De groep werd opgesplitst om de druk op lokale gemeenschappen te verlichten. Gautama hield de Soetra van het Vuur om de asceten te onderwijzen. Om de Sangha te ondersteunen, reisde hij naar Rãjagaha, waar koning Bimbisãra het park Veluvana schonk voor het eerste klooster. Dit markeerde de oprichting van het eerste boeddhistische koninkrijk. Onder de nieuwe bhikkhu’s waren [[Sariputta|Sãriputta]] en [[Mogallana|Moggallãna]], die snel arhat werden en veertig jaar lang Gautama’s belangrijkste leerlingen bleven.
De broers en hun volgelingen sloten zich aan bij de Sangha, maar de snelle groei bracht logistieke uitdagingen. De groep werd opgesplitst om de druk op lokale gemeenschappen te verlichten. Gautama hield de Soetra van het Vuur om de asceten te onderwijzen. Om de Sangha te ondersteunen, reisde hij naar Rãjagaha, waar koning Bimbisãra het park Veluvana schonk voor het eerste klooster. Dit markeerde de oprichting van het eerste boeddhistische koninkrijk. Onder de nieuwe bhikkhu’s waren [[Sariputta|Sãriputta]] en [[Maha Mogallana|Moggallãna]], die snel arhat werden en veertig jaar lang Gautama’s belangrijkste leerlingen bleven.


In 527 v.Chr. keerde Gautama terug naar Kapilavastu, waar de ontvangst gespannen was. Hij deed eerst een bedelronde voordat hij zijn familie bezocht. Zijn vader, Suddhodana, uitte verwijten, en Bhaddakaccãnã, acht jaar lang een “monniksweduwe”, stuurde Rahula om zijn erfdeel op te eisen. Gautama liet Rahula inwijden als novice onder Sãriputta, wat Suddhodana’s woede opwekte, omdat hij nu geen opvolger meer had. Toen ook Nanda, Gautama’s halfbroer, bhikkhu werd, dwong Suddhodana een regel af: geen minderjarigen mochten zonder ouderlijke toestemming toetreden tot de Sangha. Dit was de enige concessie die Gautama ooit deed aan iemand buiten de Sangha. Hij liet echter iedereen toe, ongeacht de gevolgen voor achterblijvende gezinnen, omdat hij verlichting boven wereldse verplichtingen stelde.
In 527 v.Chr. keerde Gautama terug naar Kapilavastu, waar de ontvangst gespannen was. Hij deed eerst een bedelronde voordat hij zijn familie bezocht. Zijn vader, Suddhodana, uitte verwijten, en Yasodhara
, acht jaar lang een “monniksweduwe”, stuurde Rahula om zijn erfdeel op te eisen. Gautama liet Rahula inwijden als novice onder Sãriputta, wat Suddhodana’s woede opwekte, omdat hij nu geen opvolger meer had. Toen ook Nanda, Gautama’s halfbroer, bhikkhu werd, dwong Suddhodana een regel af: geen minderjarigen mochten zonder ouderlijke toestemming toetreden tot de Sangha. Dit was de enige concessie die Gautama ooit deed aan iemand buiten de Sangha. Hij liet echter iedereen toe, ongeacht de gevolgen voor achterblijvende gezinnen, omdat hij verlichting boven wereldse verplichtingen stelde.
Zeven personen uit Sakya, waaronder neven Devadatta, Anuruddha en Ānanda, sloten zich later aan bij de Sangha in Anupiyã. Ānanda werd Gautama’s vaste assistent en schreef de meeste soetra’s op.
Zeven personen uit Sakya, waaronder neven Devadatta, Anuruddha en Ānanda, sloten zich later aan bij de Sangha in Anupiyã. Ānanda werd Gautama’s vaste assistent en schreef de meeste soetra’s op.


Navigatiemenu