Gautama de Boeddha: verschil tussen versies

661 bytes verwijderd ,  13 jun 2023 14:18
Label: Ongedaan gemaakt
Label: Ongedaan gemaakt
Regel 24: Regel 24:


==puberjaren==
==puberjaren==
Siddhartha’s twijfels over het brahmanisme werd gedurende zijn tienerjaren alleen maar groter. Als waarschijnlijk toekomstige radja werd hij onderwezen in de heilige geschriften zoals de upanishaden en de veda’s en hij had bijzondere aandacht voor de rigveda en de atharvaveda. Hem werd geleerd dat Brahman de opperheerser van het heelal was en dat het een gave op zich was om deze god te kunnen bereiken. Zodoende kreeg hij aandacht voor de manier waarop de mensen omgingen met deze geschriften en de bijzondere positie van de brahmanen. De veda’s golden als brontekst voor het brahmanisme en daarin werden offerformules, ceremonies en heilige handelingen beschreven en de klemtoon kwam steeds meer te liggen op de juiste uitvoering van al deze rituelen die steeds omslachtiger en ingewikkelder werden. De gewone burger durfde deze niet meer uit te voeren uit angst iets fout te doen en zo de toorn van de goden over zich heen te krijgen en zo werden deze handelingen alleen nog maar uitgevoerd door specialisten; de brahmaanse hindoepriesters. Deze priesters wisten dat zij een monopoliepositie hadden op het spirituele vlak en dat zij een macht hadden die zelfs verder ging dan de macht van de radja’s en de koning. Deze macht zorgde er uiteindelijk voor dat het hele spirituele denken op zijn kop werd gezet. Waren offers in eerste instantie bedoeld om de goden gunstig te stemmen, gaandeweg waren de goden afhankelijk van de offers van de priesters. Zonder de juiste uitvoering van de rituelen waren de goden kansloos en hadden niet de goden maar de priesters alle touwtjes in handen. Siddhartha merkte dit op tijdens een uitstapje waarbij hij langs een strohut kwam waar een rouwbeklag bezig was. Hij hoorde dat de kostwinner pas gestorven was en hij zag dat zowel de hut als de bewoners er zeer armoedig uitzagen. Hij hoorde hoe de kostwinner naar een brahmaanse priester was gegaan om hem te vragen de grond onder een nieuw te bouwen hut te zuiveren. De priester had als wederdienst geëist dat de man voor hem zou werken. Door dagenlang stenen te dragen en hout te hakken werd de man ziek en was uiteindelijk komen te overlijden.
Gedurende Siddhartha's tienerjaren groeiden zijn twijfels over het brahmanisme alleen maar. Als toekomstige radja werd hij onderwezen in de heilige geschriften, zoals de upanishaden en de veda's, en hij had speciale interesse in de Rigveda en de Atharvaveda. Hem werd geleerd dat Brahman de opperheerser van het universum was en dat het een bijzondere gave was om deze god te kunnen bereiken. Dit wekte zijn aandacht voor de manier waarop mensen omgingen met deze geschriften en de bijzondere positie van de brahmanen.
 
De veda's werden beschouwd als de oorspronkelijke teksten van het brahmanisme, waarin offerformules, ceremonies en heilige handelingen werden beschreven. Er kwam steeds meer nadruk te liggen op de juiste uitvoering van al deze rituelen, die steeds complexer en ingewikkelder werden. De gewone burger durfde deze handelingen niet meer uit te voeren uit angst iets verkeerds te doen en de toorn van de goden over zich af te roepen. Daarom werden deze handelingen alleen nog maar uitgevoerd door specialisten: de brahmaanse hindoepriesters. Deze priesters beseften dat ze een monopolie hadden op het spirituele vlak en dat ze meer macht hadden dan zelfs de radja's en de koning. Deze macht zorgde ervoor dat het hele spirituele denken uiteindelijk op zijn kop werd gezet.
 
Siddhartha merkte dit op tijdens een uitstapje toen hij langs een strohut kwam waar een rouwceremonie plaatsvond. Hij hoorde dat de kostwinner was overleden en zag dat zowel de hut als de bewoners er zeer armoedig uitzagen. Hij vernam dat de kostwinner naar een brahmaanse priester was gegaan om hem te vragen de grond voor een nieuwe hut te zuiveren. Als tegenprestatie eiste de priester dat de man voor hem zou werken. Door dagenlang stenen te dragen en hout te hakken, werd de man ziek en uiteindelijk kwam hij te overlijden. Deze gebeurtenis raakte Siddhartha diep en zette hem aan het denken.


===trouwen===
===trouwen===
Siddhartha ging steeds meer uitstapjes maken en het liefst naar kluizenaars, [[monnik|monniken]] en samana’s die kritisch stonden ten aanzien van de brahmanen en hun eigen spirituele weg aan het zoeken waren.  
Siddhartha maakte steeds meer uitstapjes, vooral naar kluizenaars, monniken en samana's die kritisch stonden ten opzichte van de brahmanen en hun eigen spirituele pad aan het zoeken waren. In Sakya waren er niet veel van deze vrije samana's, maar in het westelijke koninkrijk Kosala en het zuidelijke koninkrijk Magadha waren er veel te vinden. Siddhartha liet doorschemeren dat hij ooit naar deze gebieden wilde gaan om bij deze mannen te studeren. Zijn vader hoorde hiervan en moest denken aan de voorspelling van Asita Kaladevela dat Siddhartha een groot leider zou worden, "op aards dan wel spiritueel niveau". Sakya was een kleine republiek en Kosala had al meerdere pogingen gedaan om het land over te nemen. Als Siddhartha inderdaad een groot leider zou worden, dan liever op aards niveau, dacht Suddhodana.
In Sakya waren niet veel van deze vrijgevochten samana’s, maar in het westelijk gelegen koningrijk Kosala en in het zuidelijk gelegen koningrijk Maghada waren er velen. Siddhartha liet blijken ooit naar deze gebieden te willen gaan om bij deze mannen te gaan studeren. Zijn vader kreeg dit allemaal te horen en moest denken aan de voorspelling van Asita Kaladevela dat Siddhartha een groot leider zal gaan worden: -op aards dan wel spiritueel niveau-. Sakya was een kleine republiek en Kosala had al meerdere pogingen ondernomen om het land over te nemen. Als Siddhartha een groot leider zal gaan worden laat het dan op aards niveau zijn, zo dacht Suddhodana. Een bijkomende zorg was dat Siddhartha in alle vakken goed was behalve in militaire zaken, oorlogsvoering en gevechtshandelingen. Suddhodana deelde zijn zorgen met zijn jongere broer Dronodanaraja, de vader van Devadatta en Ānanda. Deze gaf het advies een vrouw voor Siddhartha te zoeken, dat zou zijn aandacht wel gaan verleggen en hem strijdbaar maken. Vervolgens kreeg Pajãpati die net bevallen was van een dochter (Sundarinandã) de taak een vrouw voor Siddhartha te gaan zoeken. Die vond zij in de persoon Bhaddakaccãnã, een volle nicht van Siddhartha en dochter van raja Suppabuddha die de broer was van Pajãpati. Bhaddakaccãnã was een zeer sociaal persoon die hulpprogramma’s opzette voor armen en zieken en haar vader stimuleerde tot betere verzorging voor de lokale bevolking. Nadat de twee getrouwd waren hebben ze meerdere jaren besteed aan het proberen te verhogen van de levensstandaard van de bevolking. Siddhartha begreep echter steeds meer dat aan het grote lijden zoals ziek worden, ouder worden en sterven op deze manier niet te ontkomen viel. Door zijn blijvende contacten met samana’s begreep hij dat alleen innerlijke rust een weerstand kan bieden aan het grote lijden. Niet dat ziek worden, ouder worden en sterven een halt was toe te roepen maar dat het beleven ervan vanuit een innerlijke rust niet zal leiden tot lijden. Hoe hij echter kon komen tot deze innerlijke rust was iets dat hij niet wist. In de jaren die volgden begreep hij echter steeds meer dat het zoeken naar innerlijke rust het zoeken naar [[verlichting]] was en dat dit niet lukte zolang hij aspirant raja zou blijven. Hij voelde de druk van zijn vader om een groot leider te worden en van Bhaddakaccãnã om haar een kind te schenken en vader te worden. Het idee om samana te worden en de verlichting te bereiken sprak hem steeds meer aan. Een zoon zou de wens van Pajãpati half invullen en ook zijn vader zou een nieuwe opvolger hebben.
 
Een bijkomende zorg was dat Siddhartha goed was in alle vakken, behalve in militaire zaken, oorlogsvoering en gevechtshandelingen. Suddhodana deelde zijn zorgen met zijn jongere broer Dronodanaraja, de vader van Devadatta en Ānanda. Deze adviseerde om een vrouw voor Siddhartha te zoeken, in de hoop dat dit zijn aandacht zou afleiden en hem strijdlustig zou maken. Pajãpati, die net bevallen was van een dochter genaamd Sundarinandã, kreeg de taak om een vrouw voor Siddhartha te vinden. Ze vond Bhaddakaccãnã, een volle nicht van Siddhartha en de dochter van raja Suppabuddha, de broer van Pajãpati. Bhaddakaccãnã was een zeer sociaal persoon die programma's opzette om armen en zieken te helpen, en ze stimuleerde haar vader om betere zorg te bieden aan de lokale bevolking.
 
Nadat Siddhartha en Bhaddakaccãnã getrouwd waren, besteedden ze meerdere jaren aan het verbeteren van de levensstandaard van de bevolking. Siddhartha begreep echter steeds meer dat het grote lijden, zoals ziekte, ouderdom en dood, niet te vermijden was op deze manier. Door zijn voortdurende contacten met samana's begreep hij dat alleen innerlijke rust weerstand kon bieden aan dit grote lijden. Ziekte, ouderdom en dood konden niet gestopt worden, maar door ze vanuit innerlijke rust te ervaren, zou er geen lijden ontstaan. Hij wist echter niet hoe hij deze innerlijke rust kon bereiken.
 
In de jaren die volgden, besefte Siddhartha steeds meer dat het zoeken naar innerlijke rust eigenlijk het zoeken naar verlichting was. Hij begreep dat dit niet zou lukken zolang hij vasthield aan zijn toekomstige rol als radja. Hij voelde de druk van zijn vader om een groot leider te worden en van Bhaddakaccãnã om haar een kind te geven en vader te worden. Het
 
idee om een samana te worden en verlichting te bereiken, sprak hem steeds meer aan. Een zoon zou de wens van Pajãpati gedeeltelijk vervullen en zijn vader zou een nieuwe opvolger hebben.


===zijn verzaking===
===zijn verzaking===
Siddhartha en Bhaddakaccãnã waren 13 jaar getrouwd toen ze op 29 jarige leeftijd een zoon kregen; [[Rahula]]. Enkele weken á maanden nadat zijn zoon was geboren heeft Siddhartha met steun van zijn jeugdvriend Channa zijn gezin verlaten om een samana te gaan worden. De legende verteld dat Siddhartha zonder dat iemand het wist weg is geslopen, maar uit de [[Pali-canon|Majjhima Nikaya]] blijkt dat dit onjuist is:
Siddhartha en Bhaddakaccãnã waren al 13 jaar getrouwd toen ze op 29-jarige leeftijd een zoon kregen, Rahula. Enkele weken tot maanden nadat hun zoon was geboren, verliet Siddhartha zijn gezin met de steun van zijn jeugdvriend Channa om een samana te worden. Volgens de legende is Siddhartha stilletjes vertrokken zonder dat iemand het wist, maar uit de Pali-canon (Majjhima Nikaya) blijkt dat dit onjuist is:
 
"Toen ik nog een Bodhisattva was, kreeg ik een gedachte: 'Het huiselijke leven is beperkend, een stoffige weg, het samanaschap is de vrije hemel. Het is niet gemakkelijk voor iemand die thuis woont om een volmaakte en zuivere heilige levenswijze te volgen. Wat als ik mijn haar en baard zou afscheren, gele gewaden zou dragen en het huiselijke leven zou verlaten om zonder huis te leven?' Dus, hoewel mijn ouders het er niet mee eens waren en met tranen in hun ogen weenden, scheerde ik mijn haar en baard af, droeg ik gele gewaden en verliet ik het huis." (Majjhima Nikaya 36, I, p.240)


''Toen ik nog [[Bodhisattva]] was kreeg ik een gedachte: “een benauwenis is het huiselijk leven, een stoffig pad, het samanaschap is de vrije hemel. Het is niet makkelijk voor iemand die thuis woont om de volmaakte volledige reine levenswandel der heiligheid te volvoeren. Als ik mij nu eens haar en baard zou afscheren, de gele gewaden zou omleggen en uit het huiselijk leven de thuisloosheid in zou trekken? En ik, die nog jong was, een knaap met zwart haar, die in gezegende jeugd verkeerde, in de kracht van mijn leven, schoor mij, hoewel mijn ouders het er niet mee eens waren en tranen in de ogen hadden en weenden, haar en baard af, legde de gele gewaden om en trok uit het huis weg de huisloosheid in'' Majjhima Nikaya 36, I, p.240.
Siddhartha ging eerst naar Anupiyã, gelegen in het zuiden, waar hij een week verbleef. Vervolgens reisde hij door naar Rãjagaha, waar hij koning Bimbisara ontmoette, die later een trouwe volgeling en vriend van Gautama de Boeddha zou worden. Kort daarna vertrok Siddhartha om te gaan studeren bij Ãlãra Kãlãma. Het is niet bekend of hij deze leraar bewust opzocht of er toevallig terechtkwam. Ãlãra stond niet bekend als een grootheid op het gebied van meditatie en wordt zelden genoemd buiten de geschriften.


Siddhartha trok als eerste naar het zuidelijk gelegen Anupiyã waar hij een week verbleef en vervolgens trok hij door naar [[Rajgir|Rãjagaha]] waar hij een ontmoeting had met de toenmalige koning [[Bimbisara]] die later een trouw volgeling en vriend van Gautama de Boeddha zou gaan worden. Kort daarna vertrok Siddhartha om te gaan studeren bij [[Alara Kalama|Ãlãra Kãlãma]]. Of hij deze leraar bewust opzocht of dat hij er per toeval bij terecht kwam is onbekend. Ãlara was geen grootheid op [[meditatie|meditatiegebied]] en buiten de soetra’s wordt hij nauwelijks genoemd.  
Zijn leer omvatte een vorm van meditatie die leek op yoga, waarin het bewustzijn één werd met het oneindige. Deze methode werd "de toestand van onbegrensde ruimte" genoemd. De volgende stap was het inzicht dat de geest de bron is van alle verschijnselen, en als je dit inziet, betreed je een toestand van onstoffelijkheid ofwel leegte. Siddhartha zou dit stadium binnen een maand hebben bereikt, en Ãlãra was zeer onder de indruk. Ondertussen ontdekte Siddhartha dat hij de zoon was van een koning en Ãlãra zag in hem de ideale persoon om samen hun gemeenschap te leiden. Maar Siddhartha besefte dat de toestand van onstoffelijkheid weliswaar een diepe meditatieve staat was, maar niet de innerlijke rust bracht die nodig was om het lijden van ouderdom, ziekte en dood op te lossen. Hij verliet Ãlãra en stak de rivier de Ganges over om het koninkrijk Maghada binnen te gaan, een land dat bekend stond om zijn diverse spirituele leraren. Daar ontmo


Zijn leer bestond uit een [[yoga|yoga-achtige]] vorm van meditatie waarin het [[bewustzijn]] één wordt met het oneindige, een methode welke 'de toestand van onbegrensde ruimte' werd genoemd. De vervolgstap was het inzicht dat de [[ego|geest]] de bron is van alle verschijnselen en als je dit inzag dat je dan in een toestand van onstoffelijkheid terecht kwam ofwel de toestand van de leegte. Siddhartha zou dit stadia binnen een maand bereikt hebben en Ãlãra was erg onder de indruk. In de tussentijd was hij erachter gekomen dat zijn leerling een zoon van een radja was en zag in Siddhartha de ideale persoon om samen zijn gemeenschap te gaan leiden. Siddhartha had echter ingezien dat de toestand van onstoffelijkheid een diepe meditatietoestand was maar niet de innerlijke rust teweegbracht die nodig was om het lijden van ouderdom, ziekte en dood op te lossen. Hij verliet Ãlãra en stak de rivier de Ganges over om het koninkrijk Maghada in te trekken, een land welk bekend stond om zijn grote verscheidenheid aan spirituele leraren. Zo ontmoette hij asceten die geen kleding droegen en alleen leefden van producten uit het bos en primair hun lichaam verwaarloosden omdat zij dit zagen als onderdeel van het ego welke ze los probeerden te laten. Siddhartha vond deze methode te extreem aangezien iedereen de verlichting moeten kunnen bereiken zonder dergelijke extremen toe te passen. Gedurende 3 jaar zwierf Siddhartha rond en verbleef steeds in korte periodes bij verschillende leraren. Uiteindelijk kwam hij terecht bij Uddãlaka Ãruni.  
ette hij asceten die geen kleding droegen en alleen van voedsel uit het bos leefden. Ze verwaarloosden hun lichaam omdat ze dat als onderdeel van het ego beschouwden, dat ze probeerden los te laten. Siddhartha vond deze methode te extreem, omdat iedereen verlichting zou moeten kunnen bereiken zonder dergelijke extremen toe te passen. Siddhartha zwierf drie jaar rond en verbleef korte periodes bij verschillende leraren. Uiteindelijk kwam hij bij Uddãlaka Ãruni terecht.


In tegenstelling tot Ãlãra had Uddãlaka zijn visie niet door zelfinzicht verkregen, maar gekregen van zijn vader Rãma. Het zou leiden tot de toestand van 'zonder waarnemen noch niet-waarnemen'. In deze toestand wordt ingezien dat leegte iets anders is dan lege ruimte en iets anders is dan bewustzijn[30]. Alles wat overblijft is waarneming en het object van waarneming. Siddhartha bereikte dit stadium in 15 dagen en merkte op dat het een zeer rustgevende en vredige meditatie was maar dat het niet de problemen van leven en dood oploste. De rust besloeg alleen de duur van de meditatie, niet daarbuiten. Uddãlaka vond dat Siddhartha zijn verlichting bereikt had en bood hem de leiding over de gemeenschap aan die Siddhartha weigerde.
In tegenstelling tot Ãlãra had Uddãlaka zijn inzichten niet verkregen door zelfinzicht, maar had hij ze van zijn vader Rãma ontvangen. Het zou leiden tot de toestand van 'zonder waarnemen noch niet-waarnemen'. In deze toestand werd ingezien dat leegte iets anders is dan lege ruimte en iets anders is dan bewustzijn. Alles wat overbleef, was waarneming en het object van waarneming. Siddhartha bereikte dit stadium in 15 dagen en merkte op dat het een zeer rustgevende en vredige meditatie was, maar dat het de problemen van leven en dood niet oploste. De rust was beperkt tot de duur van de meditatie, niet daarbuiten. Uddãlaka vond dat Siddhartha verlichting had bereikt en bood hem de leiding over de gemeenschap aan, maar Siddhartha weigerde.


==Gautama de asceet==
==Gautama de asceet==